ECLI:NL:CRVB:2001:AB2186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.J. Simon
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een hoger beroep van [BV X] tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen om aan betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen vanaf 8 maart 1999, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.
Appellante voerde aan dat niet was voldaan aan de vereiste wachttijd omdat de arbeidsongeschiktheid niet onafgebroken 52 weken zou hebben geduurd. De Raad oordeelde dat de bedrijfsarts betrokkene vanaf 9 mei 1998 arbeidsgeschikt achtte, maar betrokkene zijn werk niet hervatte en geen contact opnam. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 15 juli 1998.
Betrokkene vroeg vervolgens een WW-uitkering aan en werd door de verzekeringsarts medisch onderzocht, wat leidde tot de toekenning van de WAO-uitkering per 8 maart 1999. De Raad vond het rapport van de verzekeringsarts en medische gegevens voldoende bewijs voor doorlopende arbeidsongeschiktheid sinds 9 maart 1998.
De stelling van appellante dat betrokkene op 9 mei 1998 arbeidsgeschikt was, was niet onderbouwd met medische gegevens en werd niet aannemelijk geacht. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de WAO-uitkering vanaf 8 maart 1999.