ECLI:NL:CRVB:2001:AB2199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/1482 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 AOWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging overlijdensuitkering AOW wegens ontbreken gezinsverband met overledene

De Sociale Verzekeringsbank heeft aan gedaagde het recht op een overlijdensuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontzegd omdat zij niet met haar vader in gezinsverband leefde. De rechtbank had dit besluit vernietigd en het bezwaar gegrond verklaard, omdat gedaagde wel in gezinsverband met haar vader zou hebben geleefd.

Gedaagde verzorgde haar zieke vader en woonde tijdelijk bij hem in voor 24-uursverpleging. De rechtbank stelde dat dit verblijf en de verzorging indicatief waren voor een gezinsverband, mede gezien het meenemen van persoonlijke spullen en deelname aan de huishouding.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter anders. Zij stelt dat gedaagde al een langdurig gezinsverband met haar echtgenoot had, dat zij niet heeft verbroken. De tijdelijke inwoning bij haar vader was slechts gericht op verzorging en vormt geen gezinsverband. Daarom wordt het beroep van de Sociale Verzekeringsbank alsnog ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep van de Sociale Verzekeringsbank wordt ongegrond verklaard; gedaagde leefde niet in gezinsverband met haar vader.

Uitspraak

99/1482 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij besluit van 26 mei 1998 aan gedaagde het recht op overlijdensuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontzegd.
Bij besluit van 16 juli 1998, het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 15 maart 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met opdracht tot het nemen van een nieuw besluit, alsmede veroordeling van appellant in de proceskosten en bepaling dat appellant het griffierecht vergoedt.
Appellant is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend alsmede een nader verweerschrift, waarop door appellant schriftelijk is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 maart 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Schimmel, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De vader van gedaagde, [C.], die in het genot was van een pensioen ingevolge de AOW en woonde in [D.], is in 1998 overleden, na een in 1996 aangevangen ziekteperiode. Gedaagde, die met haar echtgenoot in [B.] woont, is in 1996 haar vader in verband met diens ziekte gaan verzorgen, aanvankelijk vanuit haar eigen huis. Toen zich de noodzaak van 24-uursverpleging voordeed is zij, in oktober 1997, bij haar vader ingetrokken en heeft bij hem gewoond tot zijn overlijden, waarna zij naar haar eigen huis is teruggekeerd.
Gedaagde heeft een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 18 van Pro de AOW aangevraagd, welke bij het primaire besluit van 26 mei 1998, gehandhaafd bij het bestreden besluit, is geweigerd. Deze weigering is hierop gegrond, dat gedaagde niet is een -in bedoeld artikel 18 omschreven Pro- persoon ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. Appellant heeft zich in dit verband in het besluit beperkt tot de vaststelling dat gedaagde niet met haar vader in gezinsverband leefde, hetgeen in het besluit aldus nader is geadstrueerd, dat het begrip “leven in gezinsverband” samenvalt met het begrip “gezamenlijke huishouding”, terwijl van een gezamenlijke huishouding in casu geen sprake was.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de gelijkstelling van de begrippen “leven in gezinsverband” en “gezamenlijke huishouding” verworpen, en de vraag of gedaagde met haar vader in gezinsverband leefde bevestigend beantwoord, daarbij lettend op de omstandigheden dat gedaagde voor onbepaalde tijd bij haar vader was ingetrokken, dat zij alle persoonlijke spullen had meegenomen, dat zij de hele week bij haar vader verbleef en haar echtgenoot af en toe op bezoek kwam, dat zij haar eigen werk, voor zover zij dat nog kon voortzetten, vanuit de woning van haar vader verrichtte, dat zij vrienden, kennissen en zakenrelaties een gewijzigd adres, namelijk de woning van haar vader, had doorgegeven, dat zij haar vader geheel verzorgde en ook de huishouding van haar vader verzorgde, en dat zij aan die huishouding deelnam.
Appellant heeft in hoger beroep ter zitting aangegeven dat zijn standpunt over de verhouding tussen de begrippen “leven in gezinsverband” en “gezamenlijke huishouding” aldus moet worden begrepen, dat deze begrippen gemeenschappelijke elementen vertonen, waaronder het element van de duurzaamheid, terwijl in casu van duurzaamheid van het verblijf van gedaagde bij haar vader geen sprake was.
De Raad beantwoordt de vraag of gedaagde met haar vader in gezinsverband leefde, anders dan de rechtbank, ontkennend. Beslissend hiervoor acht de Raad dat gedaagde in de periode thans in geding reeds vele jaren een gezinsverband met een ander had, namelijk haar echtgenoot, welk gezinsverband zij niet beoogd heeft te verbreken en na de verpleging van haar vader heeft voortgezet. In dit verband moet de inwoning van gedaagde bij haar vader, die uitsluitend gericht was op zijn verzorging en verpleging, gezien worden als niet meer dan een opschorting van de feitelijke samenwoning binnen het eigen gezinsverband.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt daarom als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries en als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
RL