ECLI:NL:CRVB:2001:AB2458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering en toepassing overgangsrecht Wet TBA
De zaak betreft een geschil over de vaststelling en herziening van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de AAW en WAO, waarbij het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats is getreden van de bedrijfsvereniging. Betrokkene ontving aanvankelijk een uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%, welke later werd herzien naar 65 tot 80% op basis van feitelijke inkomsten als klusjesman.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit ongegrond en vernietigde het tweede herzieningsbesluit. In hoger beroep betoogde betrokkene dat hij onder het overgangsrecht van de Wet TBA viel, wat de Raad niet volgde vanwege het ontbreken van een uitkering of arbeidsongeschiktheid op de peildatum 1 augustus 1993.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden van betrokkene als klusjesman en assistent technische dienst als algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden beschouwd en dat de feitelijke inkomsten een redelijke grondslag vormen voor de herziening. Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank voor het herzieningsbesluit en verklaarde het beroep daarop alsnog ongegrond.
De Raad vond geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en bevestigde het oorspronkelijke besluit tot toekenning van de uitkering per 31 december 1996. Hiermee is de herziening op basis van de feitelijke inkomsten rechtsgeldig, ondanks eerdere vernietiging door de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ongegrond verklaard en het oorspronkelijke besluit bevestigd.