ECLI:NL:CRVB:2001:AB2488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/6355 ABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • Ch. de Vrey
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a ABWArt. 55 ABWArt. 5a ABWArt. 1:2 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen die het beroep ongegrond verklaarde tegen een besluit van de gemeente Eemsmond. Dit besluit stelde dat appellant en [C.] in de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellant hoofdelijk aansprakelijk was voor terugvordering van ten onrechte verleende bijstand.

De Raad overwoog dat appellant niet als belanghebbende kon worden aangemerkt voor de bijstand die aan [C.] werd verleend, omdat hij geen subject van die bijstandsverlening was. Verder oordeelde de Raad dat artikel 59a, tweede lid, van de ABW geen grond biedt voor terugvordering van de partner met wiens middelen geen rekening is gehouden bij de bijstandsverlening.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het primaire besluit van 21 april 1998. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente Eemsmond tot betaling van de proceskosten aan appellant. Hiermee werd het beroep van appellant gegrond verklaard.

Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstandskosten en hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant wordt vernietigd.

Uitspraak

99/6355 ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], thans wonende te [B.], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R. Koppe, advocaat te Uithuizen, op in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 12 november 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn - samen met de gedingen tussen [C.], wonende te [D.], en gedaagde, nummers 99/3989 NABW tot en met 99/3991 NABW - gevoegd behandeld ter zitting van 27 maart 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Koppe voornoemd, terwijl aan de kant van gedaagde - met bericht van verhindering - niemand is verschenen. Aan de zijde van appellant is als getuige meegebracht en ter zitting gehoord [E.], wonende te [D.].
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 21 april 1998 appellant mededeling gedaan van zijn ten aanzien van [C.] (hierna: [C.]) genomen beslissing dat in het geval van haar en appellant in de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a (oud) van de ABW en dat [C.] geen recht had op de haar toegekende bijstand ingevolge de ABW naar de norm voor een een-oudergezin; voorts heeft gedaagde met toepassing van de artikelen 55 en 59a van de ABW van appellant de over de genoemde periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ad f 13.426,73 teruggevorderd en hem voor de terugbetaling hoofdelijk aansprakelijk gesteld.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar gedaagde bij besluit van 12 oktober 1998 als ongegrond heeft afgewezen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellant tegen het besluit van 12 oktober 1998 instelde, ongegrond verklaard. In de eerste plaats heeft de rechtbank geoordeeld dat het - in het bestreden besluit besloten liggende - standpunt van gedaagde juist is, dat er in het geval van [C.] en appellant over de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voorts was zij van oordeel dat gedaagde gerechtigd is het genoemde bedrag van appellant terug te vorderen en hem voor de terugbetaling ervan hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze oordelen van de rechtbank gekeerd.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
In de eerste plaats stelt de Raad vast dat hij in zijn uitspraak van heden in de gedingen tussen [C.] en gedaagde als zijn oordeel heeft neergelegd dat er in het geval van [C.] en appellant in het tijdvak van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a van de ABW en dat [C.] over dat tijdvak geen recht op bijstand had. Hiermee is de betrokken besluitvorming van gedaagde ten aanzien van [C.] rechtens verbindend geworden en staat zij in dit geding niet meer ter beoordeling.
De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellant niet betrokken was bij de aan [C.] over meergenoemd tijdv1ak verleende bijstand naar de norm voor een een-oudergezin en derhalve geen subject van die bijstandsverlening, zodat hij ter zake die besluitvorming niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De omstandigheid dat appellant ter zake van de terugbetaling van de aan [C.] verleende bijstand hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, maakt dit niet anders. Derhalve dient al hetgeen appellant in hoger beroep met betrekking tot die besluitvorming heeft aangevoerd, buiten bespreking te blijven. De rechtbank en ook gedaagde hebben dit laatste ten onrechte niet onderkend.
De Raad overweegt met betrekking tot de terugvordering en de hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van appellant als volgt.
Het besluit om de ten onrechte gemaakte kosten van de aan [C.] over het tijdvak van
1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 verleende bijstand van appellant terug te vorderen en hem hoofdelijk aansprakelijk te stellen, berust op het bepaalde in artikel 59a, tweede en derde lid, van de ABW.
Onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 23 oktober 1998, NJ 1998, 900, en JVB 1999/4, en van 22 december 2000, gepubliceerd in RvdW 2001, 13, overweegt de Raad dat in een geval als het onderhavige waarin - naar de norm voor een een-oudergezin - gezinsbijstand is verleend, artikel 59a, tweede lid, van de ABW geen grond kan bieden voor terugvordering van de partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand ten onrechte geen rekening is gehouden.
Dit leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet moet worden vernietigd. De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb tevens het primaire besluit van 21 april 1998, dat eveneens in strijd met de wet is, te vernietigen.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- in beroep alsook in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, op f 84,76 voor reiskosten (gevormd door f 73,-- aan treinkosten en {14 strippen a f 0,84 per strip =
f. 11.76) en op f 200,-- voor verletkosten aan de kant van appellant, alsmede op f 84,76 voor de kosten van het meebrengen van de getuige, in totaal f 3.209,52.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit alsook het primaire besluit van 21 april 1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, totaal tot een bedrag van
f 3.209,52, te betalen door de gemeente Eemsmond;
Gelast de gemeente Eemsmond aan appellant het gestorte recht van f 55,-- in beroep en
f 170,-- in hoger beroep (totaal f 225,--) te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
JdB
2304