ECLI:NL:CRVB:2001:AB2839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AAW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van hulpbehoevendheid ouder en verzorgingstijd
Het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen weigerde een AAW-uitkering toe te kennen aan gedaagde omdat hij in het jaar voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheidsdatum geen inkomen had verworven en niet voldeed aan uitzonderingen op de inkomenseis. Gedaagde voerde aan dat hij zijn hulpbehoevende vader verzorgde en daardoor geacht moest worden inkomen te hebben verworven.
De rechtbank stelde dat de vader van gedaagde in een blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeerde en dat gedaagde voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geregeld oppassing en verzorging verleende, waardoor hij onder de uitzonderingsbepaling viel. Het Landelijk Instituut ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische verklaringen van de huisarts, die geen aanwijzingen gaf voor hulpbehoevendheid van de vader, zwaarder wegen dan de verklaringen van derden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de vader hulpbehoevend was in de zin van de wet. Ook kon niet worden vastgesteld dat gedaagde zijn arbeidstijd nagenoeg uitsluitend aan verzorging besteedde.
De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van gedaagde ongegrond, waarmee de weigering van de AAW-uitkering stand hield.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en de weigering van de AAW-uitkering blijft in stand.