ECLI:NL:CRVB:2001:AB2840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late betaling griffierecht
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen inzake de toepassing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht van 50 gulden niet binnen de wettelijke termijn van vier weken had betaald.
In hoger beroep betoogde appellant dat het griffierecht wel was betaald, zij het kort na de termijn, en dat artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten toepassing zou moeten blijven wegens strijd met artikel 6 EVRM Pro, dat het recht op onbelemmerde toegang tot de rechter beschermt.
De Raad oordeelde dat appellant terecht in verzuim was omdat hij op juiste wijze was geïnformeerd over de betalingstermijn en de gevolgen van niet-tijdige betaling. De door appellant aangevoerde administratieve omissie en persoonlijke omstandigheden van zijn gemachtigde waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Verder stelde de Raad dat het verbinden van niet-ontvankelijkheid aan niet-tijdige betaling niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, omdat het wezen van het recht op toegang tot de rechter daardoor niet wordt aangetast.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 22 mei 2001.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.