ECLI:NL:CRVB:2001:AB3122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling sancties bij te late aanvraag AAW-uitkering en toepassing Wet boeten
Gedaagde diende haar aanvraag voor een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) pas meer dan negen maanden na de arbeidsongeschiktheid in. Appellant legde daarop een sanctie van 30% op over de periode van 7 januari 1996 tot 1 augustus 1996 en een sanctie van 20% over de periode van 1 augustus 1996 tot 7 januari 1997 op, waarbij voor de laatste sanctie de Wet boeten werd toegepast.
De rechtbank vernietigde beide sancties wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met name omdat gedaagde uit onwetendheid handelde en geen financieel voordeel had genoten. De Centrale Raad van Beroep herroept dit oordeel voor de eerste sanctie en bevestigt dat de 30% sanctie proportioneel is, omdat de te late aanvraag een overtreding is die rechtvaardigt dat de sanctie wordt opgelegd.
Ten aanzien van de tweede sanctie oordeelt de Raad dat de Wet boeten niet van toepassing is op gedragingen die plaatsvonden vóór de inwerkingtreding ervan. Omdat de overtreding van artikel 24, derde lid, AAW plaatsvond binnen de oude wettelijke kaders, is de sanctie van 20% onrechtmatig opgelegd en wordt deze vernietigd. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de tweede sanctie betreft en veroordeelt appellant tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Sanctie van 30% wegens te late aanvraag wordt gehandhaafd, sanctie van 20% wegens toepassing Wet boeten wordt vernietigd.