Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2001:AB3335

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/4024 ABP
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke RechtenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging leeftijdsgrens bij pensioenberekening geen leeftijdsdiscriminatie

Appellant betwistte dat de ambtelijke diensttijd vervuld tussen 1 augustus 1987 en 1 september 1989 meetelt voor pensioen vanwege de leeftijdsgrens van 25 jaar in de destijds geldende Algemene burgerlijke pensioenwet. Hij stelde dat deze leeftijdsgrens leeftijdsdiscriminatie inhoudt, verboden volgens artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

De Raad voor de Rechtspraak, handelend in hoger beroep tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, onderschreef de eerdere overwegingen dat de leeftijdsgrens redelijke en objectieve rechtvaardigingsgronden kent. Deze grens was ingevoerd om de collectieve lasten te beperken en past binnen de pensioensystematiek waarbij een pensioen in 40 dienstjaren wordt opgebouwd met een gebruikelijke pensioneringsleeftijd van 65 jaar.

De Raad benadrukte dat het feit dat de leeftijdsgrens in 1994 werd afgeschaft, niet afdoet aan de rechtmatigheid van de grens in de relevante periode. Ook wees de Raad op het feit dat dergelijke restricties nog steeds in vele pensioenregelingen worden gehanteerd. De Raad wees het beroep af en bevestigde het bestreden besluit dat de diensttijd van appellant niet meetelt voor pensioen.

Ten slotte wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Kasdorp en leden Stevens en Doornewaard op 19 juli 2001.

Uitkomst: De leeftijdsgrens van 25 jaar voor meetellen van ambtelijke diensttijd bij pensioen wordt bevestigd en niet als verboden leeftijdsdiscriminatie aangemerkt.

Uitspraak

98/4024 ABP
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.] (België), appellant,
en
het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 8 mei 1998, nummer AWB 97/9122 ABP, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 mei 2001. Aldaar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. K. ten Broek, regiojuriste bij de ABVAKABO, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. MOTIVERING
In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij wet van 21 december 1995, Stb. 639, met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.
Ook in hoger beroep staat ter beantwoording de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 20 juni 1997 terecht en op goede gronden ervan is uitgegaan dat de door appellant (geboren in 1964) in de periode van 1 augustus 1987 tot 1 september 1989 vervulde ambtelijke diensttijd vanwege de toen in (artikel D 1, derde lid, van) de Wet opgenomen leeftijdsgrens van 25 jaar niet meetelt voor pensioen ingevolge de Wet.
Appellant meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en heeft daartoe aangevoerd dat in dezen sprake is van leeftijdsdiscriminatie die ingevolge artikel 26 van Pro het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) is verboden.
Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad genoemde vraag echter bevestigend. De Raad kan de terzake door de rechtbank gehanteerde overwegingen geheel onderschrijven en maakt deze tot de zijne.
In het bijzonder acht ook de Raad voor de invoering (in 1986) van genoemde leeftijdsgrens redelijke en objectieve rechtvaardigingsgronden gelegen in het daartoe blijkens de wetsgeschiedenis gegolden hebbende oogmerk om de collectieve lasten terug te dringen. Daarbij is een zwaarwegende factor dat deze restrictie past binnen een, ook voor de Wet geldende, pensioensystematiek waarbij de gebruikelijke pensionerings-leeftijd 65 jaar is en een redelijk geacht pensioen in 40 dienstjaren wordt opgebouwd. Blijkens de gedingstukken wordt deze restrictie ook nu nog in vele pensioenregelingen gehanteerd.
De omstandigheid dat de onderhavige leeftijdsgrens in de Wet ingaande 1 mei 1994 werd afgeschaft maakt het voorgaande niet anders.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
HD
21.05