ECLI:NL:CRVB:2001:AD3252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- K. Zeilemaker
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag opsporingsambtenaar wegens ongeschiktheid en weigering herplaatsing
Appellant, een opsporingsambtenaar werkzaam sinds 1979, kreeg te maken met anonieme klachten over zijn omgang met vrouwelijke collega's, wat leidde tot herhaald ziekteverzuim en een convenant in 1996 waarin de klachten werden ingetrokken en vertrouwen werd uitgesproken. Desondanks ontstonden nieuwe problemen en ziekmeldingen, waarna appellant werd opgedragen zich te onderwerpen aan een psychiatrisch onderzoek. Dit onderzoek concludeerde dat appellant geen gezondheidsproblemen had die hem ongeschikt maakten voor zijn functie.
Appellant deed een voorstel tot overplaatsing naar een andere politieregio met een passende functie, maar dit werd deels afgewezen. Uiteindelijk verleende de korpsbeheerder hem eervol ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, zonder wachtgeld toe te kennen vanwege eigen schuld of toedoen. Appellant tekende bezwaar aan tegen het ontslag, het weigeren van wachtgeld en het niet toekennen van schadevergoeding, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan terecht twijfelde aan de goede gezondheid van appellant en dat het ontslag gegrond was op zijn gedrag en houding, die het functioneren ernstig verstoorden. De aangeboden herplaatsingsfunctie werd als gelijkwaardig beoordeeld, maar appellant weigerde deze. De Raad vond dat appellant had kunnen weten dat ontslag aanstaande was en dat het ontslag aan zijn eigen schuld te wijten was. Er was geen grond voor schadevergoeding. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ongeschiktheid wordt bevestigd, zonder toekenning van wachtgeld of schadevergoeding.