ECLI:NL:CRVB:2001:AD4655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en sancties bij schending mededelingsplicht arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard met een uitkeringspercentage van 80 tot 100%, kreeg terugvorderingsbesluiten opgelegd vanwege onverschuldigde uitkeringen over de periode april tot november 1996, veroorzaakt door het niet tijdig melden van inkomsten uit arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad overweegt dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij tijdig heeft gemeld dat hij inkomsten uit arbeid genoot. De brief van 23 september 1996 waarin een grens van f 865,- bruto per maand werd genoemd, leidt niet tot een vrijstelling van terugvordering. De Raad bevestigt dat de terugvorderingen terecht zijn opgelegd en dat de mededelingsplicht is geschonden.
Ten aanzien van de opgelegde boete wegens schending van de mededelingsplicht vernietigt de Raad het besluit omdat de sanctiebevoegdheid onterecht op de Wet boeten is gebaseerd, die pas na de overtreding in werking trad. De Raad veroordeelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen tot vergoeding van proceskosten aan appellant en bevestigt de overige besluiten van de rechtbank.
Uitkomst: Terugvorderingen en korting op uitkering bevestigd, boete vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag.