ECLI:NL:CRVB:2001:AD5989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over kinderbijslag en bewijslevering moeder-kindrelatie
Appellante, woonachtig in Nederland sinds 1989, vroeg kinderbijslag aan voor vijf kinderen over de periode 1990-1995. De Sociale Verzekeringsbank weigerde aanvankelijk de uitkering wegens onvoldoende bewijs van de moeder-kindrelatie. Na bezwaar en beroep werd DNA-onderzoek uitgevoerd dat de biologische relatie bevestigde, waarna gedeeltelijk recht op kinderbijslag werd toegekend vanaf het eerste kwartaal 1992.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gerond, vernietigde het eerste besluit, maar handhaafde het tweede besluit dat kinderbijslag over 1990-1991 weigerde wegens onvoldoende bewijs van onderhoud. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze weigering en de afwijzing van vergoeding van kosten, waaronder die van het DNA-onderzoek.
De Raad oordeelde dat de bewijslast voor de moeder-kindrelatie bij appellante lag en dat de kosten van het DNA-onderzoek niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze in de risicosfeer van appellante liggen. Wel werden proceskosten voor rechtsbijstand gedeeltelijk toegewezen. De Raad bevestigde het standpunt van de rechtbank dat appellante over 1991 onvoldoende onderhoud heeft geleverd om recht op kinderbijslag te verkrijgen.
De Raad vernietigde de uitspraak voor zover proceskosten in eerste aanleg niet waren toegekend en veroordeelde de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, alsmede het griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt het recht op kinderbijslag vanaf 1992, wijst vergoeding van DNA-kosten af, en veroordeelt de SVB tot betaling van proceskosten en griffierecht.