ECLI:NL:CRVB:2001:AD6379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch. J.G. Olde Kalter
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling boeteoplegging werkgever op grond van Ziektewet en Boetebesluit
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen legde een boete van f 1000,- op aan [X.] BV wegens het niet tijdig melden van de werkhervatting van een werknemer. De werkgever had de hersteldmelding te laat gedaan, wat volgens artikel 38 van Pro de Ziektewet aanleiding gaf tot een boete. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het Boetebesluit, dat de boete regelt, niet alle vereiste elementen bevatte, met name geen regels over de mate van verwijtbaarheid van het verzuim.
In hoger beroep stelde het Landelijk instituut dat het Boetebesluit in overeenstemming was met de wet en dat verwijtbaarheid niet relevant was voor de boeteoplegging. De Raad oordeelde echter dat het Boetebesluit tekortschiet omdat het niet voldoet aan de wettelijke regelingsopdracht uit artikel 38, vierde lid, juncto artikel 45a, zesde lid, Ziektewet, die voorschrijft dat nadere regels moeten worden gesteld over onder meer de mate van verwijtbaarheid.
De Raad bevestigde daarom de vernietiging van het boetebesluit en oordeelde dat het bestreden besluit terecht niet in stand kon blijven. De uitspraak benadrukt het belang van een volledige wettelijke grondslag en beleidsregels die rekening houden met verwijtbaarheid bij boeteoplegging aan werkgevers.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het boetebesluit wegens het ontbreken van nadere regels over verwijtbaarheid en laat het bestreden besluit niet in stand.