ECLI:NL:CRVB:2001:AD7109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Ch. de Vrey
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet en weigering WW-uitkering
Appellant werd op 1 april 1998 op staande voet ontslagen door zijn werkgever, een visfileerbedrijf, en het dienstverband werd per 3 april 1998 beëindigd. Hij werkte daarna tijdelijk elders, maar vroeg op 2 juni 1998 een WW-uitkering aan. De uitkering werd geheel geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht, omdat hij het ontslag niet had aangevochten.
Appellant stelde in hoger beroep dat het ontslag onterecht was vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, inmenging in zijn privéleven, achterstallige loonbetalingen en vermeende frauduleuze praktijken van de werkgever. Hij voerde aan dat het redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd het ontslag te accepteren.
De Raad oordeelde dat het aanvechten van het ontslag niet kansloos was en dat appellant door dit niet te doen de voortzetting van het dienstverband had kunnen bewerkstelligen en zo werkloosheid had kunnen voorkomen. De aangevoerde redenen waren onvoldoende om het ontslag te accepteren en de werkloosheid niet verwijtbaar te achten. De Raad vond het besluit van gedaagde echter onduidelijk en veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank dat de WW-uitkering terecht is geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, maar benadrukt het belang van heldere motivering door het bestuursorgaan.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt terecht geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door het niet aanvechten van het ontslag.