ECLI:NL:CRVB:2001:AD7295

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/8850 AAW/WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • Ch.J.G. Olde Kalter
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 AAWArt. 44 WAOArt. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 577b Wetboek van StrafvorderingArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens inkomsten uit illegale activiteiten

Appellant, voormalig straatmaker, stopte met werken wegens psychische klachten en ontving arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Gedaagde stelde vast dat appellant tussen 1 april 1995 en 26 september 1996 inkomsten genoot uit illegale activiteiten, waaronder hennepteelt en heroïnehandel.

Op grond van deze inkomsten werd de fictieve arbeidsongeschiktheidsmaatstaf verlaagd tot minder dan 15%, waardoor de uitkeringen over deze periode werden stopgezet. Appellant betwistte dit, onder meer met verwijzing naar artikel 36e Wetboek van Strafrecht, dat inhoudt dat hij de inkomsten zou moeten afstaan.

De Raad oordeelde dat de strafrechtelijke uitkomst geen doorslaggevende betekenis heeft in de bestuursrechtelijke procedure en dat de anticumulatiebepalingen terecht zijn toegepast. De verklaring van getuigen en de processen-verbaal ondersteunen de vaststelling van inkomsten uit arbeid. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de uitkering niet toegekend over de genoemde periode.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over de periode waarin appellant inkomsten uit illegale activiteiten genoot.

Uitspraak

98/8850 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 27 februari 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde van 4 augustus 1997, waarbij gedaagde heeft beslist de aan appellant toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over de periode van 1 april 1995 tot en met 26 september 1996 met toepassing van artikel 33 van Pro de AAW en artikel 44 van Pro de WAO niet uit te betalen.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 9 november 1998 het beroep van appellant tegen het besluit van 27 februari 1998 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, op in een beroepschrift aangevoerde gronden, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 september 2001, waar appellant, na voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Groot, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam geweest als straatmaker. Op 28 mei 1991 heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt wegens psychische klachten. Ter zake van de tengevolge daarvan ontstane arbeidsongeschiktheid heeft appellant over de maximale termijn ziekengeld ontvangen. In aansluiting daarop zijn hem door gedaagde uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van een melding van de politie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven, die een onderzoek heeft ingesteld betreffende de handel in verdovende middelen door onder meer appellant, heeft de opsporingsdienst van gedaagdes uitvoeringsorganisatie een fraude-onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een frauderapportage van 3 maart 1997.
Uit dat rapport en de daaraan ten grondslag liggende verklaringen is naar voren gekomen dat appellant in ieder geval vanaf 1 april 1995 tot en met 26 september 1996 hennep heeft geteeld, geoogst en verkocht en daarnaast heroïne heeft verkocht en hieruit voor de toepassing van de AAW en de WAO relevante inkomsten heeft genoten.
Gedaagde heeft daarop beslist de aan appellant toegekende uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO over de periode van 1 april 1995 tot en met 26 september 1996 met toepassing van artikel 33 van Pro de AAW en 44 van de WAO niet uit te betalen.
Aan dit besluit ligt gedaagdes zienswijze ten grondslag dat, uitgaande van de gegevens die naar voren zijn gekomen uit de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek opgemaakte processen-verbaal, appellant in de periode van 1 april 1995 tot en met 26 september 1996 uit de betreffende activiteiten inkomsten heeft verkregen. Dit bedrag aan inkomsten afzettend tegen appellants maatmaninkomen is gedaagde tot de conclusie gekomen dat de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid over de periode van 1 april 1995 tot 26 september 1996 minder dan 15% is, zodat zijn uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO op nihil dienen te worden gesteld.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat op grond van de gedingstukken, in het bijzonder de vermelde processen-verbaal, voldoende vaststaat dat appellant de betreffende inkomsten sedert april 1995 is gaan genieten, zodat gedaagde terecht als aanvang van de periode waarover geanticumuleerd wordt 1 april 1995 heeft genomen. De Raad acht geen grond aanwezig de verklaring van getuige [naam] voor onjuist te houden, nu ook in diverse andere verklaringen, waaronder die van appellant zelf, eveneens de datum april 1995 is aangegeven.
Ten aanzien van het standpunt van appellant dat hij betwist dat hij inkomsten uit arbeid heeft genoten nu hij deze inkomsten op grond van artikel 36 e van het Wetboek van Strafrecht weer zal moeten afstaan merkt de Raad in de eerste plaats op dat, gezien het eerder overwogene, vaststaat dat appellant inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat derhalve appellants arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan de toepasselijke anticumulatiebepalingen kunnen worden onderworpen. Naar de Raad vaker heeft overwogen komt voorts aan een stafrechtelijke uitspraak in een administratiefrechtelijke procedure geen beslissende betekenis toe en kan de strafrechter bij de vaststelling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, hetzij nadien met toepassing van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, rekening houden met de omstandigheid dat appellant zich met een nihilstelling van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ziet geconfronteerd. Appellants hier besproken argument kan dan ook niet slagen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter, mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2001.
(get.) D.J. van der Vos
(get.) H.E. Scheepers-van Die
LdG