ECLI:NL:CRVB:2001:AD7956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na beëindiging managementovereenkomst
Gedaagde, directeur en enig aandeelhouder van een beheermaatschappij, beëindigde per 1 januari 1998 zijn managementovereenkomst met een andere vennootschap. Appellant stelde dat deze beëindiging neerkwam op verwijtbare werkloosheid, waarop gedaagde bezwaar maakte. De rechtbank vernietigde het besluit van appellant wegens onvoldoende motivering over de verwijtbaarheid.
In hoger beroep stelde appellant dat gedaagde bewust het risico nam geen werkzaamheden meer te hebben en dat de situatie na maart 1997 irrelevant was. Gedaagde betoogde dat hij niet verwijtbaar werkloos was omdat hij in de veronderstelling verkeerde zelfstandig te zijn en pas ontslag zou hebben genomen als werknemer bij een andere werkgever.
De Raad oordeelde dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden omdat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd de werkzaamheden voort te zetten. Evenwel achtte de Raad de omstandigheden na maart 1997 relevant voor matiging, maar concludeerde dat gedaagde geen serieuze pogingen heeft gedaan om werkloosheid te voorkomen. Daarom is het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering terecht. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging van de managementovereenkomst.