ECLI:NL:CRVB:2001:AE8687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering onverschuldigde AAW-uitkering wegens inkomensgegevens
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) vorderde terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen aan gedaagde over de periodes 1 oktober 1993 tot 1 mei 1994 en 1 mei 1994 tot 1 november 1994. De rechtbank verklaarde de beroepen van gedaagde tegen deze terugvorderingsbesluiten gegrond en vernietigde deze besluiten, met als reden dat de eerste terugvorderingshandelingen niet ondubbelzinnig waren en dat appellant pas vanaf december 1996 bevoegd was tot terugvordering.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat de brieven van 27 december 1995 en 26 april 1996 als eerste terugvorderingshandelingen gelden, omdat daarin duidelijk werd medegedeeld dat de uitkeringen over genoemde periodes werden teruggevorderd. De wijziging in de grondslag van terugvordering doet hieraan niet af. De Raad oordeelde dat het wettelijk regime van de AAW afwijkend is van het Burgerlijk Wetboek en dat verjaring zoals aangevoerd door gedaagde niet van toepassing is.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de terugvorderingsbesluiten betreft en verklaart het inleidend beroep ongegrond. Daarmee wordt de terugvordering van de onverschuldigde AAW-uitkering bevestigd. De proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht worden eveneens vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt gegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigde AAW-uitkering bevestigd.