ECLI:NL:CRVB:2001:AE8731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking Poolse arbeidskrachten bij scheepsbouwbedrijf
Appellante, een Belgisch bedrijf, stelde in hoger beroep dat de Poolse arbeidskrachten die via Poolse ondernemingen werkzaamheden verrichtten, zelfstandigen waren en geen privaatrechtelijke dienstbetrekking hadden. Zij voerde aan dat er geen loonbetaling was, maar een aanneemsom, en dat er geen gezagsverhouding bestond omdat zij geen sancties kon opleggen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking conform artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten. De verplichting tot persoonlijke dienstverrichting was aanwezig gezien het specialistische karakter van het werk en het ontbreken van bewijs dat de arbeidskrachten zich lieten vervangen.
De betalingen aan de Poolse arbeidskrachten werden als loonbetalingen aangemerkt, ook al werden deze via de bankrekening van een Poolse onderneming betaald. De Raad stelde vast dat er wel degelijk een gezagsverhouding bestond, onder meer door het toezicht en de instructiebevoegdheid van appellante.
Verder oordeelde de Raad dat het feit dat de arbeidskrachten mogelijk zelfstandigen waren, niet uitsloot dat er een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, zolang aan de vereiste elementen daarvan was voldaan. Er was geen concrete onderbouwing voor strijd met internationale wet- en regelgeving. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Poolse arbeidskrachten in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot appellante en wijst het hoger beroep af.