ECLI:NL:CRVB:2001:AL3654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fictieve dag van opzegging bij faillissement werkgever in WW-uitkering
Appellant was werkzaam bij een onderneming die failliet ging op 19 april 1995. Na het faillissement werd appellant ontslag aangezegd door de curator op 18 januari 1996. Appellant verzocht om overneming van de betalingsverplichtingen van zijn voormalige werkgever door het uitvoeringsorgaan. Dit orgaan kende een WW-uitkering toe met als fictieve dag van opzegging de datum van het faillissement, 19 april 1995.
Appellant betwistte deze fictieve opzeggingsdatum en stelde dat de curator pas op 18 januari 1996 het dienstverband had opgezegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de curator tijdig had kunnen opzeggen bij het faillissement. In hoger beroep voerde appellant aan dat de curator pas eind december 1995 op de hoogte was van het dienstverband, omdat hij aanvankelijk verkeerde informatie had gekregen.
De Raad overwoog dat van de curator mag worden verlangd dat hij tijdig onderzoek doet naar het personeelsbestand en dat het onaannemelijk is dat hij geen aanwijzingen had kunnen vinden over het dienstverband. Tevens lag het niet op de weg van het uitvoeringsorgaan om de curator te informeren, maar op appellant om zich tijdig met de curator in verbinding te stellen. De Raad bevestigde dat de datum van het faillissement als fictieve opzeggingsdatum geldt en dat het uitvoeringsorgaan binnen zijn beoordelingsruimte bleef. Het beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de dag van het faillissement als fictieve opzeggingsdatum geldt en wijst het beroep af.