Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2002:6

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2002
Publicatiedatum
29 juli 2015
Zaaknummer
00-535 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 AbwArt. 22 Algemene Bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over ingangsdatum toekenning bijstandsuitkering

Appellante diende op 6 mei 1997 een aanvraag in voor bijstandsuitkering bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam. De uitkering werd toegekend met ingang van die datum, evenals bijzondere bijstand voor woonkosten van 6 mei 1997 tot 30 juni 1997. Appellante maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat de uitkering vanaf 1 juni 1996 en de woonkostentoeslag vanaf 1 januari 1997 had moeten ingaan.

De gemeente verklaarde de bezwaren ongegrond en de rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel. Volgens vaste rechtspraak wordt bijstand in principe niet met terugwerkende kracht toegekend vóór de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden aanwezig en het feit dat appellante voor de aanvraagdatum geen inkomsten had, volstond niet.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen en bevestigt het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt bevestigd op de datum van aanvraag, 6 mei 1997.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
00/535 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.
I.
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 15 december 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 juli 2002, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.
II.
MOTIVERING
Voor een uitvoerige weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.
Appellante heeft op 6 mei 1997 bij gedaagde een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij twee afzonderlijke besluiten van 10 oktober 1997 is aan appellante en haar echtgenoot met ingang van 6 mei 1997 een (algemene) bijstandsuitkering berekend naar de norm voor gehuwden toegekend en is aan hen met ingang van 6 mei 1997 tot 30 juni 1997 bijzondere bijstand voor de woonkosten van hun woning verleend.
Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt ter zake van de ingangsdatum van genoemde uitkeringen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de periodieke uitkering met ingang van 1 juni 1996 en dat de woonkostentoeslag met ingang van
1 januari 1997 had moeten worden toegekend.
Bij besluiten van 8 september 1998 heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat volgens vaste rechtspraak ter zake van de toepassing van artikel 67 van Pro de Abw, dat in de plaats is gekomen van artikel 22 van Pro de Algemene Bijstandswet, in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hiervan wordt afgeweken is de rechtbank niet gebleken.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat is gebaseerd. Het feit dat appellante, zoals zij in hoger beroep heeft aangevoerd, voor 6 mei 1997 niet over inkomsten beschikte, kan niet als een bijzondere omstandigheid als bovenbedoeld worden aangemerkt.
Het hoger beroep kan dan ook niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
GdJ
157