ECLI:NL:CRVB:2002:AE3418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaald ziekengeld en weigering vakantietoeslag Ziektewet
Appellant, commercieel directeur, meldde zich ziek op 28 maart 1994. Zijn werkgever werd op 30 maart 1994 failliet verklaard, waarna appellant een WW-uitkering aanvroeg. Gedaagde nam de loondoorbetalingsverplichting over voor de wettelijke opzegtermijn tot 18 mei 1994 en betaalde daarnaast ziekengeld over de periode 28 maart tot 18 mei 1994.
Bij besluit van 4 juni 1998 werd vastgesteld dat appellant te veel ziekengeld had ontvangen over 28 maart tot 8 mei 1994, omdat hij reeds WW-uitkering ontving en geen recht had op Ziektewetuitkering in die periode. Gedaagde vorderde terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag, waarbij rekening werd gehouden met eerdere betalingen en een matiging van het terug te vorderen bedrag.
Daarnaast werd het verzoek van appellant om vakantietoeslag over de Ziektewetuitkering over de periode 19 mei 1994 tot 27 maart 1995 afgewezen. Dit omdat het vastgestelde dagloon hoger was dan het wettelijke maximum dagloon waarop de uitkering gebaseerd mag zijn.
De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij te veel ziekengeld ontving en dat de terugvordering tijdig en op redelijke wijze was uitgevoerd. De weigering van vakantietoeslag was eveneens terecht, omdat de uitkering niet hoger mag zijn dan het maximum dagloon. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld en wijst het verzoek om vakantietoeslag af.