ECLI:NL:CRVB:2002:AE4370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering tijdens detentie en recht op gezinsleven volgens EVRM
Appellant werd zijn bijstandsuitkering beëindigd per 2 februari 1998 omdat hij vanaf die datum rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Hij voerde aan dat deze beëindiging hem belemmerde in het onderhouden van zijn gezin in Marokko, hetgeen volgens hem in strijd was met het recht op gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.
De Centrale Raad overwoog dat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) uitsluit dat iemand die rechtens zijn vrijheid is ontnomen recht heeft op bijstand. Het beleid van de gemeente Nijmegen om bij veroordeling tot een gevangenisstraf van maximaal zes maanden bijzondere bijstand te verlenen voor doorbetaling van vaste lasten werd als buitenwettelijk beoordeeld, maar het bestreden besluit was daarmee in overeenstemming.
Verder oordeelde de Raad dat het recht op gezinsleven uit artikel 8 EVRM Pro niet zo ver strekt dat het bestuursorgaan verplicht is tijdens detentie financiële bijstand te verlenen om het in het buitenland verblijvende gezin te onderhouden. De toepassing van de uitsluitingsgrond en het territorialiteitsbeginsel belemmeren het recht op gezinsleven niet. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering tijdens detentie en wijst het hoger beroep af.