ECLI:NL:CRVB:2002:AE4455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering deelname vrijwillige AOW-verzekering
Appellant werd bij besluit van 21 juli 1998 medegedeeld dat hij niet bevoegd was tot deelname aan de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw). Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde ambtshalve of het bezwaar terecht was ontvangen ondanks de termijnoverschrijding. Appellant gaf aan dat hij door een langdurige afwezigheid in het buitenland niet tijdig bezwaar kon maken.
De Raad oordeelde dat verblijf in het buitenland op zich geen geldige reden is voor het overschrijden van de bezwaarperiode, zeker niet als appellant geen adequate maatregelen had getroffen om tijdig bezwaar te kunnen maken. Ook het feit dat een gemachtigde was aangewezen, maar deze geen bezwaar had ingediend en niet effectief had gefungeerd, leidde niet tot een andere conclusie.
Daarom oordeelde de Raad dat het bezwaar ten onrechte was ontvangen en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De Raad bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaarperiode zonder geldige reden.