ECLI:NL:CRVB:2002:AE4676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Van Leeuwen
- T.L. de Vries
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging kinderbijslag wegens werkzaamheden in Duitsland
Appellante ontving kinderbijslag, maar deze werd ingetrokken per het eerste kwartaal van 1996 omdat zij gedurende meer dan drie maanden werkzaamheden verrichtte in Duitsland, waardoor zij niet langer verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Sociale Verzekeringsbank vorderde tevens de terugbetaling van te veel betaalde kinderbijslag over dat kwartaal. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad overweegt dat op grond van artikel 10, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) de verzekeringsplicht vervalt bij onafgebroken werkzaamheden in het buitenland van meer dan drie maanden, ongeacht de omvang van de werkzaamheden.
Appellante viel daardoor niet meer onder de AKW en had geen recht op kinderbijslag. De Raad laat in het midden of de Europese Verordening 1408/71 van toepassing is, omdat dit geen aanspraak op kinderbijslag zou opleveren.
De terugvordering van te veel betaalde kinderbijslag is gegrond omdat appellante haar werkzaamheden in Duitsland pas in mei 1996 aan de Sociale Verzekeringsbank meldde. De Raad wijst erop dat appellante nog kan verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 25 KB Pro 164, maar dat zij dit nog niet heeft gedaan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ontzegging van kinderbijslag wordt bevestigd.