ECLI:NL:CRVB:2002:AE6815
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening inzake bijstandsverlening aan zelfstandige met inkomsten uit loondienst na uitkering
Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de definitieve vaststelling van bijstand aan een zelfstandige over het jaar 1998. De gemeente had bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening, welke later deels werd omgezet in een bedrag om niet en deels werd teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde dat de na beëindiging van de bijstandsuitkering verworven inkomsten uit loondienst niet meegenomen mochten worden bij de berekening van de bijstand om niet. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat volgens de wet en de wetsgeschiedenis bij zelfstandigen het inkomen over het gehele boekjaar moet worden betrokken, ongeacht of de bijstand over het hele jaar is verstrekt.
Gezien het feit dat gedaagde na beëindiging van de Bbz-uitkering inkomsten uit loondienst had, achtte de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand zal blijven. Omdat het teruggevorderde bedrag al was voldaan en er geen onoverkomelijke financiële problemen waren, werd de werking van de uitspraak geschorst en het betaalde griffierecht terugbetaald.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de werking van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt geschorst.