Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6850

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/4460 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7, tweede lid, sub a AKWArt. 11, tweede lid AKWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag wegens niet voldoen aan onderwijsvereiste AKW

Appellants zoon was van november 1998 tot april 1999 ingeschreven bij een opleidingsinstituut waar hij de programma's Assessment en oriëntatie (A&O) en Traject naar opleidingen (TnO) volgde. De Sociale Verzekeringsbank weigerde kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1999 omdat niet werd voldaan aan de onderwijsvereiste van artikel 7, tweede lid, sub a, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het TnO-programma niet gericht is op het behalen van een diploma noch een noodzakelijke voorbereiding op MBO-onderwijs vormt. Het programma is slechts bedoeld om kennisleemtes weg te nemen ter vergemakkelijking van de overstap naar een beroepsopleiding.

Daarmee voldoet het programma niet aan de definitie van onderwijs in de zin van de AKW en is de weigering van kinderbijslag terecht. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde het bestreden besluit.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat het gevolgde programma niet als onderwijs in de zin van de AKW wordt aangemerkt.

Uitspraak

00/4460 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 3 juni 1999 heeft gedaagde aan appellant over het tweede kwartaal van 1999 de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn kind [kind] ontzegd.
Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 1999 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 15 augustus 2000 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juni 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, en mw. H. Bassit als tolk, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellants zoon [kind], geboren [in] 1981, heeft van 23 november 1998 tot 5 april 1999 als cursist ingeschreven gestaan bij het [opleidingsinstituut] en achtereenvolgens de programma's Assessment en oriëntatie (A&O) en Traject naar opleidingen (TnO) gevolgd.
Gedaagde heeft geweigerd appellant kinderbijslag toe te kennen over het tweede kwartaal van 1999, onder de overweging dat appellants zoon niet voldeed aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de AKW, met name niet aan de eis dat hij onderwijs in de zin van genoemde bepaling volgde.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het A&O/TnO programma diende als noodzakelijke voorbereiding op MBO-onderwijs en als zodanig onderwijs in de zin van de AKW was, ook ingevolge de beleidsregels van gedaagde. Voorts is aangevoerd dat voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag ingevolge artikel 11, tweede lid, van de AKW de peildatum doorslaggevend is, mede voor wat betreft de eis van artikel 7, tweede lid, sub a, van de AKW.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, sub a, van de AKW bestaat recht op kinderbijslag, indien het kind in verband met onderwijs of een beroepsopleiding overdag lessen of stages volgt gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal. Tussen partijen is in geding of appellants zoon voldeed aan deze voorwaarde.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank heeft gedaan, ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Appellants zoon volgde in het in geding zijnde kwartaal van 1 t/m 5 april het programma TnO. Dit programma is, zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, niet gericht op het behalen van een diploma noch dient het als noodzakelijke voorbereiding op MBO-onderwijs. Het programma beoogt slechts om leemtes in de kennis van betrokkene weg te nemen teneinde de overstap naar de beroepsopleiding te vergemakkelijken. Dit is evenwel onvoldoende om het programma als onderwijs in de zin van de AKW aan te merken.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.D. Streefkerk.