ECLI:NL:CRVB:2002:AE7025

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/6466 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen besluit weduwe-uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin zij als weduwe van een vervolgde een periodieke uitkering werd toegekend voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 juni 2002. Dit besluit was gebaseerd op artikel 7, vierde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, dat bepaalt dat de uitkering aan de weduwe ten hoogste twee jaar na het overlijden wordt verleend, tenzij zij jonger is dan 40 jaar, arbeidsongeschikt is, of minderjarige kinderen heeft.

De Raad heeft vastgesteld dat eiseres niet voldoet aan deze uitzonderingscriteria en dat het besluit derhalve overeenkomstig de wet is genomen. Hoewel eiseres stelde dat haar echtgenoot destijds onvolledig was voorgelicht over de duur van de uitkering, heeft zij haar verzoek om schadevergoeding wegens deze onvolledige voorlichting niet gehandhaafd.

De Raad concludeert dat het beroep ongegrond is en ziet geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten. Het geschil over de toepassing van artikel 7 van Pro de Wet is daarmee definitief beslecht.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van een beperkte weduwe-uitkering blijft van kracht.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
00/6466 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 14 november 2000, kenmerk JZ/X60/2000/997, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift - met bijlagen - is uiteengezet waarom zij zich met het besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 14 maart 2002 heeft eiseres nog enkele stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 maart 2002. Daar is eiseres in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken was wijlen de echtgenoot van eiseres, [echtgenoot], ten tijde van zijn overlijden [in] 2000, in het genot van een uitkering ingevolge de Wet. Bij besluit van 2 augustus 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster eiseres als weduwe van een vervolgde op grond van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Wet in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering over de periode van 1 augustus 2000, zijnde de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad, tot 1 juni 2002.
Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet, wordt de in het eerste lid, van artikel 7 bedoelde Pro uitkering aan de weduwe van de vervolgde ten hoogste gedurende een tijdvak van twee jaren na de datum van overlijden verleend, indien de weduwe op dat tijdstip nog niet de 40-jarige leeftijd heeft bereikt, tenzij zij arbeidsongeschikt is, of een of meer minderjarige kinderen te haren laste heeft.
Tussen partijen is blijkens het verhandelde ter zitting thans niet meer in geschil dat eiseres niet voldoet aan de in voormelde, dwingendrechtelijke bepaling gestelde vereisten om voor een uitkering van langere duur in aanmerking te komen.
Eiseres stelt nog slechts dat wijlen haar echtgenoot destijds door een bij verweerster werkzame beambte onvolledig is voorgelicht over de duur van een mogelijke weduwe-uitkering en dat zij, indien zij op de hoogte waren geweest van genoemde bepaling (wellicht) niet zouden zijn gehuwd gezien onder meer hun verschil in leeftijd.
Haar verzoek om vergoeding van tengevolge van die onvolledige voorlichting geleden schade heeft eiseres ter zitting niet gehandhaafd.
Voor zover eiseres al, gelet op het vorenstaande, nog enig belang zou hebben bij een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit, moet de Raad vaststellen dat het bestreden besluit overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen is genomen. De Raad is voorts met verweerster van oordeel dat uit de ter beschikking staande gegevens wel kan worden afgeleid dat er telefonisch contact is geweest maar niet dat er van verweersters zijde enige (onvolledige) voorlichting met betrekking tot artikel 7 van Pro de Wet is gegeven. Daarbij merkt de Raad nog op dat deze bepaling op zich duidelijk is.
Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het namens eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2002.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A. Kovács.
HD
21.04