ECLI:NL:CRVB:2002:AE7109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- T. Hoogenboom
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag en disciplinaire maatregelen ambtenaar wegens plichtsverzuim en ongeschiktheid
Appellant, een adjunct-gerechtssecretaris bij de rechtbank, werd sinds 1993 in diverse functies benoemd en onderging een roulatiebeleid waarbij hij tijdelijk en later definitief werd geplaatst bij een andere kamer. Gedurende zijn dienstverband vertoonde appellant herhaaldelijk plichtsverzuim, met name door frequent te laat komen, het niet naleven van werktijdafspraken en het onrechtmatig gebruik van vertrouwelijke stukken.
Diverse disciplinaire maatregelen werden opgelegd, waaronder vermindering van vakantieverlof en een boete van ƒ 1.000,-. Ondanks waarschuwingen en gesprekken verbeterde appellant zijn gedrag niet. Uiteindelijk werd hij op 1 maart 1999 eervol ontslagen wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Tevens werd hem de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd en werd hij geschorst.
Appellant voerde onder meer aan dat de disciplinaire maatregelen en het ontslag onterecht waren, dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen zijn zienswijze te geven en dat hij recht had op wachtgeld. De Raad oordeelde dat de disciplinaire maatregelen en het ontslag terecht waren opgelegd, gezien het ernstige plichtsverzuim en de onvoldoende verbetering ondanks begeleiding.
De Raad verwierp appellants bezwaren over procedurele tekortkomingen en bevestigde dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen te wijten was, waardoor geen recht op wachtgeld bestond. De aangevallen uitspraken van de rechtbank Amsterdam worden bevestigd en het verzoek tot schadeloosstelling afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het ontslag en de disciplinaire maatregelen en wijst het hoger beroep van appellant af.