ECLI:NL:CRVB:2002:AE7562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak over afwijzing WAO-uitkering wegens gebrek aan objectiveerbare ziekte
Gedaagde, werkzaam als [functie] op een school, meldde zich ziek vanwege vermoeidheidsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), wees de aanvraag af na onderzoek door verzekeringsarts Seignette, die geen objectieve aanwijzingen voor ziekte vond. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en oordeelde dat de vermoeidheidsklachten een stoornis vormden die tot arbeidsongeschiktheid leidde.
In hoger beroep bestreed appellant dit oordeel met een notitie van medisch adviseur Boersma en verwees naar de richtlijn 'Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' waarin klachten niet gelijkgesteld worden aan stoornissen zonder objectieve aanwijzingen. De Raad overwoog dat ondanks de klachten geen somatische of psychische oorzaak was vastgesteld en dat de deskundige Abraham-Inpijn geen aanwijzingen vond voor een ziekte die de beperkingen verklaart.
De Raad concludeerde dat appellant terecht het beroep ongegrond verklaarde en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De Raad bevestigde tevens dat de richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium verenigbaar is met de relevante wetsartikelen en dat het ontbreken van een objectieve oorzaak niet uitsluit dat stoornissen kunnen bestaan, maar dat in dit geval het bestaan daarvan niet aannemelijk was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.