ECLI:NL:CRVB:2002:AE7594

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1937 NABW-VV + 02/2018 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens ontbreken omschrijving en gronden

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam waarin zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk werd verklaard. Het bezwaar was onvoldoende gemotiveerd en bevatte geen omschrijving van het besluit waartegen het was gericht, noch de gronden van het bezwaar, zoals vereist volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moest worden. Verzoeker was niet geslaagd in het herstellen van de gebreken ondanks een gelegenheid daartoe. Ook de verwijzing naar artikelen van het Europees Sociaal Handvest werd niet nader onderbouwd en bleef daarom buiten beschouwing.

Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb Pro, dat voorziet in voorlopige voorzieningen bij spoedeisend belang, werd afgewezen omdat geen gronden voor een voorlopige voorziening aanwezig waren. De uitspraak werd in de hoofdzaak gedaan zonder nadere onderzoekstermijnen. Daarmee werd het beroep van verzoeker ongegrond verklaard en het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam bevestigd.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

02/1937 NABW-VV
02/2018 NABW
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, alsmede het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro die wet in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 25 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij het inleidend beroepschrift heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar verzoeker in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van Pro de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.
Ter beoordeling staat de vraag of gedaagde op goede gronden het door verzoeker op 27 oktober 1997 gefaxte bezwaarschrift op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt niet uit het bezwaarschrift van 27 oktober 2001 tegen welk besluit dit is gericht en evenmin wat de gronden van dat bezwaar zijn. Verzoeker is door gedaagde bij brief van 27 november 2001 in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker, gelet op de inhoud van zijn nadien ingezonden brief van 29 november 2001, hierin niet geslaagd. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker niet heeft voldaan aan de in artikel 6:5, eerste lid aanhef en onder c en d, van de Awb neergelegde vereisten dat het bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar bevat.
Gedaagde was dan ook bevoegd de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren.
Van de zijde van verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan gedaagde van gebruikmaking van die bevoegdheid had behoren af te zien.
Naar aanleiding van verzoekers verwijzing naar hetgeen in beroep is aangevoerd omtrent de artikelen 12, 14 en 30 van het Europees Sociaal Handvest merkt de voorzieningenrechter nog op dat verzoeker in zijn beroepschrift slechts heeft volstaan met vermelding van deze artikelen en het beroepschrift in zoverre op geen enkele wijze met argumenten heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om deze grief thans verder buiten bespreking te laten.
Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep van verzoeker tegen het besluit op bezwaar van 21 december 1998 ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.
Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2002.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
1106
JvS