ECLI:NL:CRVB:2002:AE8232

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/5827 NABW, 02/1565 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 AbwArt. 3 AbwArt. 4 AbwArt. 30 AbwArt. 33 Abw
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit aflossingsbedrag bijzondere bijstand wegens onjuiste beslagvrije voet

Appellante en haar echtgenoot ontvingen bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening met een vastgesteld aflossingsbedrag. Gedaagde stelde het aflossingsbedrag vast op basis van de beslagvrije voet zoals bedoeld in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wat volgens de Raad onjuist was.

De Raad stelde vast dat appellanten echtgenoten zijn en dat de beslagvrije voet moet worden bepaald aan de hand van artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder a, Rv, waarbij de leefvorm bepalend is en niet de bijstandsnorm. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard wegens strijd met het verbod van reformatio in peius, maar had de beslagvrije voet juist toegepast volgens gedaagde.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in strijd met de wet is genomen en vernietigde het besluit van 4 februari 1999 en het nadere besluit van 15 november 1999. Gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het besluit over het aflossingsbedrag wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met correcte toepassing van de beslagvrije voet.

Uitspraak

99/5827 NABW
02/1565 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.C. Schmidt, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Delft, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 15 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij fax-bericht van 2 maart 2002 heeft gedaagde desverzocht het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 15 november 1999 genomen nadere besluit op bezwaar aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 juni 2002. Daar is appellante verschenen bij haar gemachtigde mr. S.B. de Jong, verbonden aan het Bureau Rechtshulp Gouda, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Suijkerbuijk, werkzaam bij de gemeente Drimmelen.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De aanvraag van haar echtgenoot [naam echtgenoot] om met behoud van uitkering het voorbereidend jaar aan de universiteit te volgen is afgewezen.
Bij besluit van 22 december 1998 is aan appellante en haar echtgenoot bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van f 9.983,33. Bij besluit van dezelfde datum is het aflossingsbedrag ingaande 1 januari 1999 bepaald op f 124,15 per maand.
Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het ten aanzien van appellante genomen bestreden besluit van 4 februari 1999 voor de berekening van het aflossingsbedrag aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het af te lossen bedrag nader vastgesteld op f 189,80 per maand. [naam echtgenoot] wordt wegens het ontbreken van inkomsten niet tot aflossing in staat geacht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 februari 1999 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellante door het aantekenen van bezwaar in een minder gunstige positie is komen te verkeren dan vóór het aanwenden van dit rechtsmiddel, sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius, terwijl zich in onderhavig geding niet een zodanig uitzonderlijke situatie voordoet dat gedaagde bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van belanghebbende te wijzigen. Met betrekking tot de grief van appellante omtrent de gehanteerde beslagvrije voet merkt de rechtbank nog op dat gedaagde bij de vaststelling van het aflossingsbedrag is uitgegaan van de juiste beslagvrije voet, te weten 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.
Gedaagde heeft bij het besluit van 15 november 1999 het met ingang van 1 januari 1999 maandelijks af te lossen bedrag nader vastgesteld op f 124,15.
De Raad merkt het besluit van 15 november 1999 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu bij dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante wordt ingevolge artikel 6:19 in Pro verbinding met artikel 6:24 van Pro de Awb het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 november 1999.
Partijen houdt verdeeld de vraag of het aflossingsbedrag gezien naar 1 januari 1999 op de juiste hoogte is vastgesteld.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde bij de bepaling van het door appellante af te lossen bedrag als uitgangspunt heeft genomen dat zij de beschikking dient te houden over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv.
Ingevolge artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedraagt de beslagvrije voet voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van Pro de Abw die beiden 21 jaar of ouder zijn: negentig procent van de bijstandsnorm genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 30, tweede lid, onderdeel c en d, van die wet;
b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en
b, van de Abw die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn voorzover hier van belang, tenminste 90 procent van de bijstandsnorm genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel a en b van de Abw en ten hoogste 90 procent van die bijstandsnorm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 33, tweede lid, van die wet.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b Rv in plaats van aan het bepaalde in artikel 474d, eerste lid, aanhef en onder a Rv als vorenaangehaald gegeven. Daartoe overweegt hij het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten echtgenoten zijn in de zin van artikel 3 van Pro de Abw. Naar de gemachtigde van gedaagde bij de behandeling van het geding ter zitting heeft toegelicht, is voor de bepaling van de hoogte van het aflossingsbedrag niettemin aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid aanhef en onder b, van de Rv, omdat appellante met toepassing van artikel 32 van Pro de Abw een uitkering is verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen, aangezien ingevolge artikel 475d Rv niet de bijstandsnorm maar de leefvorm bepalend is voor de hoogte van de beslagvrije voet.
De Raad stelt tenslotte vast dat artikel 475d Rv niet een afwijkende regeling bevat voor het geval dat zich de situatie van artikel 32 van Pro de Abw voordoet zodat het bestreden besluit op dit punt in strijd met de wet is genomen.
In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Ook het besluit van 15 november 1999 dient wegens strijd met de wet te worden vernietigd.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Abw gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 februari 1999;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door de gemeente Drimmelen;
Bepaalt dat de gemeente Drimmelen aan appellante het betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2002.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.