ECLI:NL:CRVB:2002:AE8707
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens schending inlichtingenplicht WW door appellant bevestigd
Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen een boete opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens het schenden van de mededelingsplicht zoals bedoeld in artikel 25 van Pro de Werkloosheidswet (WW). Het geschil betrof het niet vermelden van 41 gewerkte uren in mei 1997, waardoor ten onrechte een bedrag van €190,41 aan uitkering werd ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep heeft de feiten overgenomen zoals vastgesteld door de rechtbank Utrecht en concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de werkzaamheden tijdig schriftelijk aan het Uwv heeft doorgegeven. De brief ter correctie van het werkbriefje was niet aangetekend verzonden en is niet op de juiste plek aangekomen, wat voor risico van appellant komt.
De Raad past het Boetebesluit Sociale zekerheidswetten toe en stelt de boete vast op €45,-, het minimum volgens de geldende regels per 1 januari 2002. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde recht van €102,12 aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Appellant wordt een boete van €45,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaalde rechten.