ECLI:NL:CRVB:2002:AE8892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WAO-uitkering bij gelijktijdige WW-uitkering
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 44 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in samenhang met de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid. Gedaagde ontving vanaf 1 augustus 1998 naast een WAO-uitkering ook een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Appellant, het UWV, handhaafde de korting op de WAO-uitkering omdat de WW-uitkering wordt gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid.
De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd omdat geen verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek was verricht en oordeelde dat de korting niet zonder meer mocht worden voortgezet. De Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en concludeerde dat de tekst van de Regeling duidelijk is en dat de WW-uitkering als inkomsten uit arbeid moet worden beschouwd, ook na 1 augustus 1998.
De Raad verwierp het oordeel van de rechtbank dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en dat artikel 44 van Pro de WAO alleen bij tijdelijk wegvallen van arbeidsinkomsten van toepassing zou zijn. De Raad stelde dat de toelichting op de Regeling niet afwijkt van de duidelijke tekst en dat het aan de wetgever is om eventuele onbedoelde gevolgen te corrigeren.
Uiteindelijk vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van appellant gegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. De korting op de WAO-uitkering wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering wordt bevestigd ondanks gelijktijdige ontvangst van een WW-uitkering.