ECLI:NL:CRVB:2002:AE9271
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onrechtmatig verblijf Nederland
Appellant, van Marokkaanse nationaliteit en sinds 1989 in Nederland verblijvend, vroeg kinderbijslag aan voor het derde kwartaal 1998 tot en met het tweede kwartaal 1999. De Sociale Verzekeringsbank weigerde dit omdat appellant vanaf 1 juli 1998 niet langer verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege onrechtmatig verblijf. Appellant had op 10 december 1998 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning en kreeg later een vergunning op grond van de Witte illegalenregeling.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef op 1 juli 1998 en daardoor niet verzekerd was volgens artikel 6, tweede lid, AKW, zoals gewijzigd door de Koppelingswet. Het beroep op discriminatie op grond van nationaliteit, waaronder artikel 14 EVRM Pro, wordt verworpen.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de Koppelingswet niet in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro en dat alleen personen die op 1 juli 1998 rechtmatig in Nederland verbleven en verzekerd waren, beschermd worden tegen beëindiging van hun verzekeringspositie. De latere verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Witte illegalenregeling verandert hier niets aan.
De Raad wijst ook op toetsing aan artikel 3 NMV Pro en artikel 8 EVRM Pro juncto artikel 1 van Pro het Eerste Protocol, die tot hetzelfde oordeel leiden. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef en daardoor niet verzekerd was volgens de AKW.