ECLI:NL:CRVB:2002:AE9291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepasselijkheid Besluit einde wachttijd bij WAO-uitkering overheidswerknemer
De zaak betreft een geschil over de toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer van een overheidswerkgever. De appellant, het UWV, trad in de rechtspositie van het Lisv en het FAOP, die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de WAO. De gedaagde werd aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid, terwijl volgens het Besluit einde wachttijd bij tijdige aanvraag en geen aanzegging een uitkering van 80 tot 100% zou moeten worden toegekend.
De rechtbank Maastricht vernietigde het besluit van het UWV en oordeelde dat het UWV in strijd had gehandeld met het Besluit einde wachttijd. Het UWV stelde echter hoger beroep in en voerde aan dat het FAOP destijds niet gebonden was aan dit besluit en dat er geen eigen beleid was dat dit voorschreef. De Centrale Raad van Beroep volgde deze stelling en oordeelde dat het FAOP niet verplicht was het Besluit einde wachttijd toe te passen, mede omdat er bij overheidswerkgevers een loondoorbetalingsverplichting bestaat.
De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van het UWV gegrond. Hierdoor blijft het oorspronkelijke besluit van het UWV in stand. De uitspraak benadrukt dat het Besluit einde wachttijd pas na 1 januari 1998 van toepassing werd op het UWV en niet op het FAOP, waardoor het FAOP destijds geen voorschot hoefde toe te kennen volgens dit besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.