ECLI:NL:CRVB:2002:AF0880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing AAW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant vroeg op 7 juli 1997 een uitkering aan op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Een verzekeringsarts concludeerde dat appellant sinds zijn 17e volledig arbeidsongeschikt was en niet zelf tijdig de aanvraag kon doen. Gedaagde, het UWV, wees de aanvraag af omdat geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 25 AAW Pro was vastgesteld, waardoor terugwerkende kracht van meer dan een jaar niet mogelijk was.
De rechtbank handhaafde dit besluit, stellende dat de ouders van appellant zijn belangen moesten behartigen en dat onvoldoende was gebleken dat zij hiertoe niet in staat waren. In hoger beroep stelde appellant dat zijn ouders geen kennis hadden van zijn psychiatrische en verslavingsproblemen, omdat hij deze verborgen hield, waardoor zij niet namens hem konden aanvragen.
De Raad overwoog dat een bijzonder geval geldt wanneer een verzekerde redelijkerwijs niet in verzuim kan worden gesteld. De Raad vond dat onvoldoende aannemelijk was dat de ouders tijdens zijn minderjarigheid inzicht hadden in de ernst van zijn toestand. Ook was niet gebleken dat zij of zijn gemachtigde na meerderjarigheid bevoegd waren zijn belangen te behartigen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en uitspraak en veroordeelde gedaagde in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de AAW-uitkering wegens ontbreken van een bijzonder geval wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.