ECLI:NL:CRVB:2002:AF1843

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/5679 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • T. Hoogenboom
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake schadevergoeding na overlijden door mesothelioom als gevolg van asbestblootstelling tijdens diensttijd

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellante, de erfgenaam van wijlen [overledene], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage. De rechtbank had eerder de vordering tot schadevergoeding afgewezen, waarbij appellante stelde dat de ziekte mesothelioom van de overledene was veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens zijn diensttijd bij de Koninklijke Marine. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 13 juni 2002, waarbij appellante werd bijgestaan door haar advocaat, mr. R.F. Ruers. Gedaagde, de Staatssecretaris van Defensie, werd vertegenwoordigd door mr. M. van Reigersberg Versluys en mr. M.C.J. Varkevisser-van den Brekel, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

De Raad heeft vastgesteld dat de overledene in 1998 was overleden aan mesothelioom, een ziekte die vaak wordt geassocieerd met asbestblootstelling. Appellante voerde aan dat de overledene tijdens zijn diensttijd aan boord van het schip De Zeven Provinciën intensief was blootgesteld aan asbest, vooral tijdens een ingrijpende verbouwing van het schip. De Raad heeft echter geconcludeerd dat appellante niet voldoende bewijs heeft geleverd voor de blootstelling aan asbest tijdens de relevante periode. De Raad heeft de argumenten van appellante, waaronder verwijzingen naar eerdere arresten van de Hoge Raad, niet overtuigend geacht.

Uiteindelijk heeft de Raad geoordeeld dat gedaagde voldoende gronden had om de schadevergoeding te weigeren. De uitspraak van de rechtbank is bevestigd, en het hoger beroep van appellante is ongegrond verklaard. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

99/5679 MAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[erfgenaam], erfgenaam van wijlen [overledene], laatstelijk wonende te Rotterdam, appellante,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 1999, nr. AWB 99/1625 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nog enkele stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Ruers, advocaat te Utrecht. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van Reigersberg Versluys en mr. M.C.J. Varkevisser-van den Brekel, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie, bijgestaan door L.G. Koenen, medisch adviseur bij dit ministerie.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.
1.1. Appellante is weduwe van [overledene] (hierna: betrokkene). Betrokkene heeft van 12 februari 1962 tot en met 8 november 1963 gediend bij de Koninklijke Marine. Van 22 oktober 1962 tot 28 oktober 1963 was hij als torpedomaker geplaatst aan boord van [naam schip].
1.2. Op 28 mei 1998 is bij betrokkene de diagnose mesothelioom gesteld.
1.3. Bij brief van 3 juni 1998 heeft betrokkene gedaagde aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van deze ziekte, zijns inziens door blootstelling aan asbest gedurende zijn diensttijd, en vergoeding gevraagd van materiële en immateriële schade. Bij besluit van 20 augustus 1998 heeft gedaagde geweigerd aansprakelijkheid te erkennen, hetgeen betekent dat het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat, gelet op de periode van tewerkstelling en de wijze van tewerkstelling, de kans dat betrokkene is blootgesteld geweest aan vrije asbestvezels nauwelijks groter is te achten dan gold voor de doorsnee Nederlander.
1.4. Op 29 oktober 1998 is betrokkene, 56 jaar oud, aan de gevolgen van zijn ziekte overleden.
1.5. Bij het bestreden besluit van 3 februari 1999 heeft gedaagde de weigering van schadevergoeding na bezwaar gehandhaafd. Het hiertegen gerichte beroep van appellante is bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank ongegrond verklaard.
2. Ook in hoger beroep betoogt appellante dat het mesothelioom is veroorzaakt doordat betrokkene gedurende zijn plaatsing aan boord van De Zeven Provinciën intensief blootgesteld is geweest aan asbest. Zij heeft erop gewezen dat dit schip destijds een ingrijpende verbouwing onderging, waarbij asbesthoudende materialen werden gesloopt en in de wederopbouwfase opnieuw zodanige materialen werden toegepast. Betrokkene heeft hierover bij leven nog uitvoerig verteld. Uit zijn relaas is onder meer naar voren gekomen dat hij opdracht had de hogeluchtdruksystemen van het schip in kaart te brengen en dat hij daartoe vele tekeningen moest maken temidden van de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden. Bovendien acht appellante van algemene bekendheid dat schepen destijds boordevol asbest zaten vanwege de brandwerende eigenschappen van deze stof. Nu blootstelling aan asbest de enige bekende externe oorzaak van mesothelioom is, terwijl voorts de periode tussen de diensttijd van betrokkene en het stellen van de diagnose geheel overeenkomt met de latentietijd van deze ziekte, welke doorgaans tussen de 20 en 40 jaren is gelegen, lijdt het voor appellante geen twijfel dat betrokkene de ziekte aan boord van De Zeven Provinciën heeft opgelopen. In aanmerking genomen dat gedaagde destijds heeft nagelaten de nodige veiligheidsvoorzieningen te treffen ter voorkoming van de schadelijke gevolgen van contact met asbest, rust volgens appellante op gedaagde een zware bewijslast van het tegendeel, waaraan gedaagde niet heeft voldaan. Appellante heeft zich daartoe vooral beroepen op de arresten van de Hoge Raad van 26 januari 1996 inzake Dicky Trading II (NJ 1996, 607) en van 17 november 2000 inzake Unilever/Dikmans (NJ 2001, 596).
3. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
3.1. Indien sprake is van een zuiver schadebesluit betreffende schade die door de ambtenaar beweerdelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden, hanteert de Raad, zoals is overwogen in zijn uitspraak van 22 juni 2000 (TAR 2000, 112), de navolgende norm, die hij ook tot uitdrukking gebracht ziet in het thans in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.
3.2. In de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie CRvB 12 maart 1998, TAR 1998, 78) acht de Raad dergelijk causaal verband (eerst) aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt.
3.3. Met betrekking tot de dan in een geval als het onderhavige als eerste te beantwoorden vraag of de betrokken ambtenaar aan asbest is blootgesteld geweest, geldt dat de ambtenaar die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, voldoende feiten moet stellen en aannemelijk maken waaruit dat gevolg kan worden afgeleid. De strekking van de hier toepasselijke, onder 3.1. weergegeven norm, leidt niet tot een andere opvatting.
3.4. Met betrekking tot de door appellants raadsman genoemde arresten van de Hoge Raad overweegt de Raad dat hij zich, gegeven de verschillen in stel- en bewijsplicht van partijen in het burgerlijke procesrecht en in het bestuursproces, daaraan niet gebonden acht.
3.5. Appellante heeft met betrekking tot de blootstelling van betrokkene aan asbest feiten en omstandigheden aangevoerd als onder 2. zakelijk is weergegeven. Gedaagde heeft deze stellingen van appellante gemotiveerd bestreden op grond van een gedocumenteerd onderzoek naar het arbeidsverleden van betrokkene en de verbouwing van De Zeven Provinciën in de periode 1962-1964. Appellante heeft hierop te kennen gegeven tot nadere bewijslevering gehouden noch in staat te zijn.
3.6. Daarvan uitgaande, is de Raad van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd daadwerkelijke blootstelling aan asbest, in de periode gedurende welke betrokkene in dienst was bij de Koninklijke Marine, in voldoende mate aannemelijk te maken. Uit het door gedaagde ingestelde onderzoek, waarvan de Raad niet is kunnen blijken dat dit onvoldoende zorgvuldig is geweest, komt naar voren dat de sloopwerkzaamheden reeds waren geëindigd toen betrokkene in oktober 1962 aan boord kwam en dat werkzaamheden waarbij asbest werd gespoten eerst hebben plaatsgevonden in de slotfase van de wederopbouw, nadat betrokkene in oktober 1963 het schip weer had verlaten. Gelet op de door betrokkene vervulde functie van torpedomaker is niet waarschijnlijk dat hem opdracht is verstrekt tot het in kaart brengen van hogedruksystemen, nu hij daartoe niet was opgeleid en werkzaamheden van dien aard aan gespecialiseerde externe bureaus plachten te worden uitbesteed. Tegenover deze concrete gegevens die erop wijzen dat betrokkene gedurende zijn diensttijd niet in bijzondere mate aan asbest is blootgesteld, heeft appellante slechts stellingen van algemene aard en niet nader onderbouwde aannames van betrokkene kunnen plaatsen. De Raad acht - in het licht van het nauw aan asbest gerelateerde karakter van de ziekte mesothelioom - voorts niet geheel zonder betekenis dat betrokkene na zijn diensttijd langdurig werkzaam is geweest in functies in de Rotterdamse haven, nu daarmee een alternatieve bron van mogelijke asbestbesmetting is gegeven die weliswaar geenszins vaststaat, maar evenmin op voorhand als onwaarschijnlijk van de hand kan worden gewezen.
3.7. De Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde zich op genoegzame gronden op het standpunt heeft gesteld niet tot schadevergoeding te zijn gehouden.
4. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt in aanmerking om te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2002.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.J.W. Loots.
(wegens defungeren van bovengenoemde griffier)