ECLI:NL:CRVB:2002:AF2760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/4542 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit niet-in-ontvangstneming bijstandsaanvraag wegens onvoldoende gegevens

Appellant heeft na ontslag een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet en later de Algemene bijstandswet. De aanvraag werd geweigerd omdat appellant onvoldoende gegevens verstrekte over zijn financiële situatie, ondanks verzoeken om aanvullende informatie zoals schuldbekentenissen.

De gemeente verzocht appellant meerdere malen om nadere gegevens te verstrekken om zijn recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellant leverde niet binnen de gestelde termijn de gevraagde documenten aan en gaf slechts summiere verklaringen, die onvoldoende waren voor een goede beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan terecht de aanvraag niet verder in behandeling heeft genomen omdat appellant niet voldeed aan de informatieplicht en de gevraagde gegevens redelijkerwijs beschikbaar had kunnen stellen.

De Raad wees ook op de wettelijke grondslag in artikel 4:5 Awb Pro, dat het bestuursorgaan een aanvraag niet hoeft te behandelen bij onvoldoende gegevens, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad deze aan te vullen. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om de bijstandsaanvraag niet verder in behandeling te nemen wegens onvoldoende gegevens.

Uitspraak

99/4542 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. N.P.H. Vissers, werkzaam bij het Buro voor rechtshulp Zuid Oost Nederland te Venlo, op bij het hoger beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Roermond op 20 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 18 juni 2002, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft na zijn ontslag per 1 juni 1998 uit zijn dienstverband als klusjesman op 14 september 1998 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet aangevraagd. Nadat deze uitkering was geweigerd, heeft hij op 24 november 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd. Op het aanvraag- en inlichtingenformulier heeft hij vermeld schulden te hebben bij een ziekenhuis en een deurwaarderskantoor en f 2.500,-- schuldig te zijn aan [X]. Tijdens het op 8 december 1998 gevoerde intakegesprek heeft appellant onder meer bankafschriften overgelegd. Bij brief van dezelfde datum heeft gedaagde appellant verzocht om uiterlijk op 14 december 1998 schuldbekentenissen te verstrekken voor de door [X] betaalde bedragen en voor een kasstorting op 23 oktober 1998 van f 1.000,--, alsmede een verklaring waaruit blijkt waar hij in de periode van juni 1998 tot en met 8 december 1998 van heeft geleefd. Daarbij is meegedeeld dat appellant, indien hij geld heeft geleend van bijvoorbeeld familie, hiervan ook een schuldbekentenis dient te overhandigen. Tevens is appellant erop gewezen dat, indien hij de gegevens niet of niet volledig verstrekt, dit tot gevolg kan hebben dat de aanvraag op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet verder wordt behandeld. Bij brief van 10 december 1998 heeft appellant meegedeeld dat hij een achterstand heeft in de betaling van huur en de energienota en dat hij de gevraagde verklaringen niet heeft.
Op 23 december 1998 heeft gedaagde besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen omdat nog steeds over onvoldoende gegevens wordt beschikt om de aanvraag af te handelen. Bij besluit van 5 maart 1999 heeft gedaagde de door appellant tegen het besluit van 23 december 1998 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
De president van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit van 5 maart 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Daartoe overweegt hij het volgende.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Naar het oordeel van de Raad is het voor de beoordeling van het recht op bijstand in het algemeen noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Indien uit de daartoe ter inzage verstrekte giro- of bankafschriften niet duidelijk blijkt op welke wijze de aanvrager in bedoelde periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien, kan het voor de beoordeling van de aanspraak op bijstand nodig zijn om de aanvrager hierover aanvullende gegevens te vragen.
In dit geval blijkt uit de rapportage van 17 december 1998 dat de door appellant bij zijn aanvraag overgelegde bankafschriften de vraag opriepen waarvan hij in de periode sedert zijn ontslag op 1 juni 1998 tot de aanvraag op 24 november 1998 heeft geleefd, omdat het door hem bij derden geleende bedrag van in totaal ca. f 3.500,-- niet voldoende is om behalve de vaste lasten ook de kosten van levensonderhoud te dekken. In dit verband merkt de Raad op dat de bankafschriften over het betreffende tijdvak vrijwel uitsluitend zien op betalingen van vaste lasten en geen enkele kasopname of elektronische betaling voor bijvoorbeeld benzine en levensmiddelen laten zien. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde onder deze omstandigheden appellant terecht verzocht om nadere gegevens, bijvoorbeeld in de vorm van schuldbekentenissen van leningen bij familie, te verstrekken, waaruit blijkt waarvan hij heeft geleefd.
De Raad stelt vast dat appellant, die overigens niet heeft verzocht om verlenging van de hem gegeven termijn, voldoende tijd is gegeven om de gevraagde gegevens over te leggen en dat hij die gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft verschaft. Hetgeen in de brief van 10 december 1998 naar voren is gebracht is daartoe ontoereikend. Dit geldt ook voor de - eerst tijdens de bezwaarschriftprocedure gegeven - verklaring dat hij steeds bij vrienden en familie heeft gegeten, omdat in dit geval geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na de gestelde termijn alsnog zijn verstrekt. Niet kan worden gezegd dat om gegevens is gevraagd waarover appellant redelijkerwijs niet de beschikking heeft kunnen krijgen, aangezien hij door bijvoorbeeld verklaringen van derden over te leggen, inzicht had kunnen geven in de wijze waarop hij in de periode voor de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aanvraag van 24 november 1998 op goede gronden niet verder is behandeld en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th. C. van Sloten als voorzitter en mr.J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2002.
(get.) Th.C van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
AP0907