ECLI:NL:CRVB:2002:AF3444

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/3269 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7, lid 11, AKWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag kinderbijslag bij ontbreken exclusieve opvoedingsrelatie

Appellant vroeg kinderbijslag aan voor een kind dat sinds september 1998 bij hem woonde. De Sociale Verzekeringsbank weigerde de uitkering omdat appellant niet voldeed aan de opvoedingseis van artikel 7, lid 11, AKW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.

De Raad overwoog dat hoewel het juridische gezag bij de ouders lag, dit niet uitsluit dat appellant het kind als een eigen kind kan opvoeden. Dit vereist echter een nauwe en exclusieve opvoedingsrelatie waarin de pleegouder de plaats van de ouder inneemt. In dit geval was het kind pas kort bij appellant in huis en was er geen duurzaam en bestendig karakter van de opvoedingsrelatie.

Verder bleek dat de moeder nog steeds betrokken was bij de opvoeding en dat het kind inmiddels niet meer bij appellant woonde. Hierdoor was niet voldaan aan de duurzaamheids- en bestendigheidseis en kon het kind niet als pleegkind worden aangemerkt. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beslissingen en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De aanvraag kinderbijslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nauwe en exclusieve opvoedingsrelatie.

Uitspraak

00/3269 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 mei 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant ingaande het vierde kwartaal van 1998 kinderbijslag ingevolge de Algemene kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van het kind [naam kind].
Bij besluit van 11 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 12 mei 2000 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.A. Bos, advocaat te Dordrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 oktober 2002, waar voor appellant is verschenen mr. Bos, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[naam kind] is het natuurlijk kind van [naam moeder], met wie appellant een relatie heeft gehad. Ten tijde van de geboorte van [naam kind] woonde [naam moeder] samen met [partner], die [naam kind] bij de geboorte heeft erkend. Appellant stelt de natuurlijke vader te zijn van [naam kind], maar hij heeft dit niet met bewijsmiddelen gestaafd.
Bij aanvraagformulier, gedagtekend 6 maart 1999, heeft appellant kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van [naam kind] met ingang van het vierde kwartaal van 1998. Aan de aanvraag is ten gronde gelegd dat [naam kind] sinds september 1998 bij appellant woont en dat vanaf die datum [naam moeder] niet meer aan [naam kind]'s onderhoud bijdraagt. Door appellant is verder aangegeven dat [naam kind]'s moeder haar kind gemiddeld twee maal per maand ziet.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam kind] niet kan worden aangemerkt als een eigen kind van appellant. Verder is niet in geschil dat appellant [naam kind] in de in dit geding relevante periode geheel heeft onderhouden.
In het bestreden besluit heeft gedaagde overwogen dat door appellant niet wordt voldaan aan de opvoedingseis gesteld in artikel 7, elfde lid, van de AKW. Uit de verklaringen van appellant leidt gedaagde af dat [naam kind] zich nog bevindt in de invloedssfeer van zijn moeder. Van een exclusieve opvoedingsrelatie tussen appellant en [naam kind] is dan ook geen sprake.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Overwogen is dat niet is gebleken dat [naam kind]'s moeder de feitelijke opvoedingstaak geheel uit handen heeft gegeven, dan wel dat zij niet meer bevoegd of in staat zou zijn belangrijke beslissingen ten aanzien van haar kind te nemen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat, ter zake van de in dit geding aan de orde zijnde kwartalen, het juridische gezag over [naam kind] rustte bij diens ouders. De Raad is evenwel van oordeel dat dit gegeven op zichzelf niet uitsluit dat [naam kind] door appellant is onderhouden en opgevoed als een eigen kind.
De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind.
Naar het oordeel van de Raad kan, voor wat betreft de in dit geding aan de orde zijnde periode, niet worden gezegd dat tussen appellant en [naam kind] een nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld. Daarvoor is in een geval als het onderhavige waarin het juridische gezag niet rust bij de pleegouder zelf, in elk geval noodzakelijk dat de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt.
In het onderhavige geval wordt kinderbijslag aangevraagd ingaande het vierde kwartaal van 1998. [naam kind] is eerst in september 1998 bij appellant komen wonen, terwijl appellant, naar uit de stukken blijkt, voordien geen enkele bemoeienis heeft gehad met (de opvoeding van) [naam kind]. Ter zitting van de Raad is overigens gebleken dat [naam kind]'s opname in het gezin van appellant intussen is beëindigd. Appellants gemachtigde heeft dienaangaande verklaard dat [naam kind] niet goed paste binnen het nieuwe gezin van appellant.
De Raad concludeert dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven duurzaamheids- en bestendigheidseis, zodat [naam kind] reeds op die grond gedurende de in dit geding aan de orde zijnde periode niet kan worden aangemerkt als een pleegkind van appellant als bedoeld in de AKW en gedaagde met recht appellants aanvraag om kinderbijslag heeft afgewezen.
Uit het voorafgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.