[eiser], wonende te [woonplaats] (Canada), eiser,
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 27 oktober 1999, kenmerk JZ/BP/71598, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft mr. F.M.H.A.C. van Domburg, werkzaam bij de Stichting 1940-1945, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Namens eiser is bij schrijven van 19 juli 2000 een commentaar ingediend van de psychiater dr. W. Op den Velde, medisch adviseur van de Stichting 1940-1945, van 12 juli 2000.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 september 2002. Daar is eiser verschenen bij zijn gemachtigden dr. Op den Velde, voornoemd, en drs. T.H.R. Kiezebrink, werkzaam bij de Stichting 1940-1945.
Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
Blijkens de gedingstukken is aan eiser, die is geboren [in] 1922, met ingang van 1 februari 1975 als deelnemer aan het verzet een pensioen op grond van de Wet toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet van 20%. Voorts heeft verweerster ten aanzien van eiser artikel 4, derde lid, onder a, van de Wet van toepassing verklaard.
In november 1997 heeft [broer], broer van eiser, namens eiser onder verwijzing naar de gevolgen die eiser thans ondervindt van een 'bijzondere gebeurtenis' verweerster verzocht de beoordeling van de verzetsactiviteiten en het voor de toepassing van de Wet in aanmerking te nemen invaliditeitspercentage te herzien.
Op verzoek van verweerster heeft de Stichting 1940-1945 een onderzoek verricht naar deze 'bijzondere gebeurtenis', te weten een liquidatie. De Centrale Bestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 heeft verweerster bij schrijven van 26 februari 1998 onder verwijzing naar het door de Stichting 1940-1945 uitgebrachte rapport van 16 februari 1998 medegedeeld dat zij het aannemelijk acht dat eiser tijdens de oorlogsjaren betrokken is geweest bij een liquidatie en kort voor de evacuatie van Kerkrade (medio september 1944) in zijn ouderlijk huis een huiszoeking heeft meegemaakt.
Verweerster heeft dit oordeel slechts ten dele overgenomen en alleen betrokkenheid bij een huiszoeking (nader) als verzet aanvaard.
Vervolgens heeft de adviserend geneeskundige A.S.E.P Textor op 25 maart 1998 gerapporteerd. Deze concludeert tot een totale psychische invaliditeit van 60% en schat de verzetsgerelateerde invaliditeit op 20%. Daarbij is door Textor opgemerkt dat de lijdensdruk in de zin van schuldgevoelens over de liquidatie ongetwijfeld hoger is dan in een invaliditeitspercentage van 20 tot uitdrukking wordt gebracht. Doch nu verweerster de liquidatie niet en het meemaken van een huiszoeking wel als verzetsgerelateerd heeft geaccepteerd, schat hij de verzetsgerelateerde invaliditeit op blijvend 20%.
Bij besluit van 7 april 1998 is eisers verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet valt uit te sluiten dat er medio 1944 inderdaad een liquidatie is uitgevoerd, maar dat (enige) betrokkenheid van eiser hierbij niet in voldoende mate is bevestigd. Voorts is overwogen dat aannemelijk is dat eiser medio september 1944 in het ouderlijk huis een huiszoeking heeft meegemaakt die verband hield met eisers verzet. Ten slotte is onder verwijzing naar het medisch onderzoek van Textor, voornoemd, aangegeven dat de verzetsgerelateerde invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet niet boven 20% is gestegen.
In het kader van eisers bezwaar tegen het besluit van 7 april 1998 heeft G.A.M. Bak, begeleidend arts van de Stichting 1940-1945, op 13 november 1998 gerapporteerd. De Centrale Bestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 heeft onder verwijzing naar het nadere rapport van de Stichting 1940-1945 van 10 maart 1999, dat op verzoek van verweerster is uitgebracht, aangegeven haar eerder ingenomen standpunt ter zake van de 'bijzondere gebeurtenis' niet te herzien.
De geneeskundig adviseur G.M. van der Molen heeft in zijn medisch advies aan verweerster van 8 oktober 1999 aangegeven dat gelet op de door verweerster aangegeven nadrukkelijke inperking van het beoordelingskader, er bij de beoordeling van de psychische klachten van eiser geen enkele ruimte aanwezig is om tot een hoger percentage causale invaliditeit dan 20 te geraken.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat eisers betrokkenheid bij een liquidatie niet aannemelijk is gemaakt, in welk verband verweerster wijst op de discrepanties in de voorhanden verklaringen over de wijze en de plaats van het verkrijgen van de opdracht tot liquidatie, de uitvoering van de liquidatie alsook de handelingen volgende op de liquidatie.
Onder verwijzing naar de medische gegevens en het medisch advies van Van der Molen, voornoemd, en gelet op het door haar ingenomen standpunt betreffende de door eiser gestelde liquidatie, blijft verweerster van oordeel dat eisers psychische klachten ten dele verband houden met het verzet en in zoverre een invaliditeit van 20% veroorzaken en voorts dat genoemde klachten voor het overige duidelijk uit andere oorzaken dan het verzet zijn ontstaan.
Blijkens hetgeen ter zitting van de zijde van verweerster is verklaard is niet in geschil dat indien de betrokkenheid van eiser bij de liquidatie aannemelijk wordt geacht, de mate van verzetsgerelateerde invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet 60% bedraagt.
Gelet op het vorenstaande en hetgeen van de zijde van eiser is aangevoerd, spitst het geding zich toe op de vraag of verweerster terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is eiser tijdens de oorlogsjaren betrokken is geweest bij een liquidatie.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Anders dan verweerster, acht de Raad op basis van de voorhanden zijnde gegevens, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op de rapporten die zijn uitgebracht door de Stichting 1940-1945 d.d. 16 februari 1998 en 13 november 1998, de betrokkenheid van eiser bij de liquidatie tijdens de oorlogsjaren aannemelijk.
De Raad wijst in dit kader op de gedetailleerdheid van eisers verklaringen, de omstandigheid dat eisers broer [broer], toentertijd leider van de verzetsgroep waarvan ook eiser deel uitmaakte, heeft verklaard dat hij eiser en een ander persoon tot de onderhavige liquidatie opdracht had gegeven en de bijzondere aard van de gebeurtenis. Wat betreft het laatste wijst de Raad op het om veiligheidsredenen zo veel mogelijk geheim houden van alles wat met de voorbereiding en uitvoering van liquidaties te maken had, de beperkte groep van betrokkenen, de afspraken tussen betrokkenen om nooit meer over de desbetreffende gebeurtenis te praten, de aan de liquidatie verbonden emotionele belasting van betrokkenen en de met de liquidatie gepaard gaande gevoelens van schaamte bij met name eiser.
Gelet op de hiervoor geschetste bijzondere aard van de betrokken verzetsdaad acht de Raad hetgeen van de zijde van verweerster is betoogd, erop neerkomend dat er onvoldoende objectieve gegevens zijn die de liquidatie bevestigen en de verschillende verklaringen wat betreft de feiten niet geheel overeenstemmen, niet toereikend voor een ander oordeel.
Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het voor eiser ingevolge de Wet geldende invaliditeitspercentage nader vast te stellen op 60.
De Raad acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden begroot op _ 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand.
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt het percentage van de invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet, met ingang van 1 december 1997, op blijvend 60;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten ad _ 644,-, te betalen aan eiser door de Pensioen- en Uitkeringsraad;
Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad _ 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad wordt vergoed.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2002.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.