ECLI:NL:CRVB:2002:AF3606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WW-uitkering wegens onvoldoende onderzoek verwijtbaarheid
Appellante was van 1989 tot 1998 werkzaam als secretaresse en werkte daarna via een uitzendbureau tot juli 1998. Zij vroeg per 3 augustus 1998 een WW-uitkering aan nadat zij een contractaanbod van de inlener had afgewezen vanwege hoge werkdruk en salarisachteruitgang. Het UWV weigerde de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en handhaafde dit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante niet beschikbaar zou zijn geweest op 3 augustus 1998.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel beschikbaar was. De Raad oordeelde dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid was getreden door het beschikbaarheidsvereiste ambtshalve te toetsen, aangezien dit niet was aangevochten. De Raad stelde dat het feitencomplex beter past bij een andere grond voor weigering uitkering, namelijk het niet behouden van passende arbeid.
De Raad constateerde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mate van verwijtbaarheid van appellantes handelen, onder meer door geen informatie in te winnen bij de bedrijfsarts ondanks aanwijzingen over hoge werkdruk. Ook had het UWV onvoldoende aandacht besteed aan de salarisachteruitgang en het vooruitzicht op ander werk.
Daarom vernietigde de Raad zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak en beval een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de overwegingen. Het verzoek tot wettelijke rente werd afgewezen wegens gebrek aan inzicht in schade. Tot slot werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante in beide instanties.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en gelast een nieuw besluit met nader onderzoek naar verwijtbaarheid.