ECLI:NL:CRVB:2002:AF3856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Toekenning AAW-uitkering na vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag en inkomenstoets
Appellant, een zelfstandig agrariër, vroeg meerdere malen een AAW-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid door rugklachten en later een herseninfarct. Aanvankelijk werd de uitkering geweigerd omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 25% lag en appellant niet voldeed aan de inkomenseis van minimaal 38 uur per week gewerkt in het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Na diverse medische onderzoeken en bezwaarprocedures stelde de Raad vast dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 17 september 1996 was en dat appellant vanaf die datum volledig arbeidsongeschikt was. Hoewel appellant in de jaren voorafgaand aan 1996 minder dan 38 uur per week werkte en verlies leed, ontving hij in 1998 een nabetaalde ongevallenrente uit een particuliere verzekering die volgens de regelgeving moet worden toegerekend aan het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
De Raad concludeerde dat appellant daardoor wel degelijk inkomen had in dat jaar en recht heeft op een AAW-uitkering. Het besluit tot weigering van de uitkering werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de proceskosten werden aan de gedaagde opgelegd.
Uitkomst: Appellant heeft recht op AAW-uitkering vanaf 17 september 1996 vanwege toereikend inkomen in het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.