ECLI:NL:CRVB:2002:AF4544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten rechtsbijstand bij bezwaar tegen WW-uitkeringsbesluit
Appellant was sinds 1986 in dienst bij een werkgever en viel in 1997 uit wegens ziekte. Na afloop van de Ziektewet werd hem geen WAO-uitkering toegekend vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Gedaagde kende hem een WW-uitkering toe met ingang van 25 maart 1998, de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, terwijl appellant zich al vanaf 23 januari 1998 niet meer beschikbaar kon stellen voor werk.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering, de terugvordering van onverschuldigde uitkering en de hoogte van het dagloon, en verzocht vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Gedaagde wijzigde de ingangsdatum naar 23 januari 1998, maar weigerde de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen die weigering ongegrond.
De Centrale Raad oordeelt dat het besluit van gedaagde om de ingangsdatum van de WW-uitkering te verleggen naar 25 maart 1998 onrechtmatig was, omdat appellant al eerder werkloos was. De kosten van rechtsbijstand die appellant in bezwaar maakte, mochten daarom niet voor zijn rekening blijven. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover het de vergoeding van de kosten betreft en beveelt gedaagde een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit dat de vergoeding van kosten van rechtsbijstand bij bezwaar tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering en terugvordering weigert, wordt vernietigd en een nieuw besluit wordt bevolen.