ECLI:NL:CRVB:2002:AF8124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks betwisting rechtszekerheid
Appellant ontving in 1998 onverschuldigd een bedrag van fl. 6.895,34 (€ 3.128,97) aan WAO-uitkering, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd teruggevorderd. Appellant voerde aan dat een medewerkster hem in 1996 had verzekerd dat bijverdiensten tot fl. 500,- netto per maand geen invloed zouden hebben op zijn uitkering. Deze stelling werd niet onderbouwd met schriftelijke bewijzen en werd door het Uwv betwist.
De Raad overwoog dat de terugvordering op grond van artikel 57, eerste lid, WAO verplicht was en dat de door appellant gestelde toezegging niet voldeed aan de criteria voor een zodanige bijzondere situatie die het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden. Er was geen ondubbelzinnige schriftelijke mededeling en appellant had de mededeling zonder doorvragen verkeerd geïnterpreteerd.
Ook werd geoordeeld dat er geen dringende redenen waren om af te zien van terugvordering op grond van artikel 57, vierde lid, WAO, aangezien de situatie niet uitzonderlijk was en geen onaanvaardbare consequenties voor appellant opleverde.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Groningen, en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De terugvordering van het onverschuldigd betaalde WAO-bedrag wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.