ECLI:NL:CRVB:2002:AF9399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zelfstandigheid vervoersmedewerkers in sociale verzekeringsplicht
In deze zaak oordeelt de Centrale Raad van Beroep over het hoger beroep van twee ondernemingen tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) die verzekeringsplicht en premieplicht aannemen voor vervoersmedewerkers die werkzaamheden verrichtten in de periode 1996-1997.
De kern van het geschil betreft de vraag of deze medewerkers als zelfstandig ondernemers kunnen worden beschouwd of dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking dan wel een fictieve dienstbetrekking. De rechtbanken hadden reeds geoordeeld dat er sprake was van een dienstbetrekking of een gelijkgestelde arbeidsverhouding, waarbij de Raad de uitspraken grotendeels bevestigt.
De Raad legt de nadruk op het ontbreken van een eigen vervoersvergunning, geringe investeringen, het ontbreken van bedrijfskapitaal en reclame, en het feit dat de werkzaamheden uitsluitend via de ondernemingen liepen. Deze omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie van zelfstandig ondernemerschap.
Daarmee faalt het hoger beroep van beide ondernemingen en worden de eerdere uitspraken bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van bijzondere bestuursrechtelijke maatregelen en bevestigt de verzekeringsplicht en premieplicht zoals vastgesteld door het Uwv.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en de verzekeringsplicht en premieplicht worden bevestigd.