ECLI:NL:CRVB:2002:AO7751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering voor minderjarige dochter buiten Nederland
Appellanten ontvingen bijstandsuitkeringen en verzochten tevens bijstand voor hun minderjarige dochter die sinds 3 januari 1997 in Nederland verbleef. Zij stelden dat zij geen kinderbijslag ontvingen en verzochten financiële tegemoetkoming voor studiekosten en verzorging. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees dit verzoek af, stellende dat geen recht bestond op bijstand voor de periode vóór het verblijf van de dochter in Nederland en dat de dochter na haar 18e jaar onderwijs volgde, waardoor zij zelf aanspraak kon maken op studiefinanciering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel. De Raad overwoog dat uit de ingediende brief geen verzoek om bijstand met terugwerkende kracht kon worden afgeleid en dat het territorialiteitsbeginsel van de Algemene bijstandswet uitsluit dat kosten gemaakt buiten Nederland voor bijstand in aanmerking komen.
Daarnaast werd geoordeeld dat het niet ontvangen van kinderbijslag geen reden was voor verhoging van de gezinsuitkering, aangezien het de eigen verantwoordelijkheid van appellanten was om deze aan te vragen. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om bijstand voor de minderjarige dochter vanwege het territorialiteitsbeginsel en het ontbreken van een duidelijk verzoek om terugwerkende bijstand.