Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:3

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2003
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
01/1448 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:75 AwbArt. 78 lid 3 WAOArt. 87e WAOArt. 88c WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluiten over niet-ontvankelijkheid bezwaar en gedifferentieerde WAO-premie

Appellante, een BV, maakte bezwaar tegen een WAO-uitkeringsbesluit van 15 januari 1998, maar dit bezwaar werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante stelde dat zij niet op de mogelijkheid tot bezwaar was gewezen. De Raad oordeelde echter dat appellante, ondanks het ontbreken van een waarschuwing, niet in verzuim was, mede omdat zij professionele rechtsbijstand had en herhaaldelijk naliet actie te ondernemen.

Daarnaast ging het geschil over de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor de jaren 2000 tot en met 2002, gebaseerd op de uitbetaalde WAO-uitkering aan een voormalige werknemer. Appellante betwistte deze premiebesluiten onder meer met het argument dat artikel 87e WAO niet van toepassing zou zijn en dat er sprake zou zijn van ongerechtvaardigd onderscheid tussen werkgevers. De Raad verwierp deze grieven en stelde vast dat de premiebesluiten geen medische besluiten zijn en dat de motivering omtrent reïntegratie-inspanningen en keuringen niet relevant was.

De Raad bevestigde de uitspraken van de rechtbank Rotterdam waarin de beroepen van appellante tegen de besluiten ongegrond werden verklaard. Tevens wees de Raad op de voorwaarden waaronder compensatie bij premiedifferentiatie mogelijk is en zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad besloot de aangevallen uitspraken te bevestigen.

Uitkomst: De Raad bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en de rechtmatigheid van de gedifferentieerde WAO-premiebesluiten.

Uitspraak

01/1448 WAO
02/3361 WAO
02/3362 WAO
03/1869 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[naam BV], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I.
ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden, bij de Raad in hoger beroep gekomen van vier door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen uitspraken. Het betreft een uitspraak van 20 februari 2001, twee uitspraken van 7 mei 2002 en een uitspraak van 28 februari 2003. Naar de betreffende uitspraken wordt hierbij verwezen.
Gedaagde heeft in de vier afzonderlijke zaken een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 30 oktober 2003, waar voor appellante is verschenen mr. Van Zijl voornoemd en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. W.M.J. Evers en mr. K.D. van Someren, beiden werkzaam bij het Uwv.
II.
MOTIVERING
Bij besluit van 15 januari 1998 heeft gedaagde aan een voormalige werknemer van appellante met ingang van 2 februari 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft appellante een afschrift van dit besluit toegezonden, waarbij appellante niet is gewezen op de mogelijkheid tegen dit besluit bezwaar te maken. Appellante heeft op 6 maart 2001 tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar door gedaagde bij besluit van 29 juni 2001 (hierna: besluit I) wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.
Bij besluit van 5 februari 1999 heeft gedaagde in het kader van de zogenaamde eerstejaars herbeoordeling de WAO-uitkering van vorenbedoelde werknemer ongewijzigd vastgesteld. Van dit besluit heeft appellante bij brief van 9 februari 1999 een afschrift ontvangen. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 november 1999 heeft gedaagde appellante voor het premiejaar 2000 ingedeeld in de categorie kleine werkgevers en de voor haar geldende gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2000 vastgesteld op de maximum premie. Voor de premiejaren 2001 en 2002 heeft gedaagde beslissingen van dezelfde strekking genomen bij besluiten van 28 november 2000 respectievelijk 26 november 2001. Aan de vaststelling van de gedifferentieerde premie ligt de aan vorenbedoelde werknemer in de jaren 1998, 1999, respectievelijk 2000, uitbetaalde WAO-uitkering ten grondslag. Appellantes bezwaren tegen deze premiebesluiten zijn door gedaagde ongegrond verklaard bij besluiten van respectievelijk 25 februari 2000 (hierna: besluit II),
28 mei 2001 (hierna: besluit III) en 11 juni 2002 (hierna: besluit IV).
De rechtbank Rotterdam heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraken de beroepen van appellante tegen de besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard. Het gaat in deze gedingen om de beantwoording van de vraag of de besluiten I tot en met IV in rechte stand kunnen houden. Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
De Raad overweegt ten aanzien van besluit I als volgt.
Appellante heeft erkend een afschrift van het besluit van 15 januari 1998 te hebben ontvangen en daartegen na afloop van de bezwaartermijn bij brief van 6 maart 2001 bezwaar te hebben gemaakt. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft in gevallen als het onderhavige niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van de Raad geen sprake. De enkele omstandigheid dat gedaagde tegenover appellante heeft nagelaten bij de toezending van het besluit van 15 januari 1998 melding te maken van de voor hem openstaande bezwaarmogelijkheid is, naar de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 februari 2000, gepubliceerd in RSV 2000/101, onvoldoende om aan te nemen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Niet aannemelijk is dat appellante, die werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en bij herhaling heeft nagelaten actie te ondernemen naar aanleiding van informatie dat bezwaar tegen het besluit van 15 januari 1998 mogelijk was, op enigerlei wijze is afgehouden van het indienen van bezwaar.
De Raad overweegt ten aanzien van de besluiten II tot en met IV als volgt.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 87e WAO buiten toepassing dient te worden gelaten, zodat appellante de besluiten II tot en met IV kan aanvechten op de grief dat de aan deze besluiten ten grondslag liggende WAO-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De Raad stelt vast dat in het onderhavige geval, anders dan in de uitspraak van de Raad van 20 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/232, appellante bezwaar heeft kunnen maken tegen het toekenningsbesluit van 15 januari 1998 en tegen het voor de besluiten III en IV relevante eerstejaarsherbeoordelingsbesluit van 5 februari 1999. De Raad ziet daarom geen aanleiding artikel 87e WAO buiten toepassing te laten.
De Raad laat appellantes grief met betrekking tot artikel 88c WAO onbesproken, aangezien de besluiten II tot en met IV geen medische besluiten betreffen en kennisname of toezending van enig stuk, dat medische gegevens bevat, in dit geding niet aan de orde is.
Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de besluiten II tot en met IV een motivering ontberen ten aanzien van reïntegratie-inspanningen van gedaagde, de tijdigheid van tussentijdse keuringen en de vaststelling van passendheid van de arbeid. Daarbij heeft appellante betoogd dat talmen van de zijde van gedaagde relevant kan zijn voor de hoogte van de gedifferentieerde premie. Naar het oordeel van de Raad stelt appellante met deze grief de vraag aan de orde of de WAO-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, welke vraag gelet op artikel 87e WAO niet relevant is.
Appellante heeft er op gewezen dat de effecten van de premiedifferentiatie voor werkgevers met een stijgende loonsom groter zijn dan voor werkgevers met een gelijkblijvende of dalende loonsom, zodat sprake kan zijn van een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling. Dit beroep wordt verworpen, reeds nu er ten aanzien van de door appellante onderscheiden categorieën geen sprake is van gelijke gevallen.
Tot slot heeft appellante gewezen op het feit dat de in artikel 78, derde lid, van de WAO bedoelde opslag of korting voor een kleine werkgever met ingang van 1 januari 2003 op nihil wordt bepaald, zodat appellante niet meer zal kunnen profiteren van de in artikel 6 van Pro het Besluit premiedifferentiatie WAO neergelegde compensatie. De Raad wijst erop dat ingevolge het aangehaalde artikel de bedoelde compensatie eerst aan de orde komt indien blijkt dat een in artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele onterecht is toegekend.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
JK12123