ECLI:NL:CRVB:2003:AF3473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gelijke behandeling bij kinderopvangregeling voor mannelijke ambtenaren
Appellant, een mannelijke ambtenaar bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verzocht om een kinderopvangplaats voor zijn ongeboren kind. Het Ministerie verleende deze plaatsen primair aan vrouwelijke werknemers, tenzij sprake was van een noodgeval. Het verzoek van appellant werd geweigerd en deze beslissing werd bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de regeling discrimineert op grond van geslacht en niet strookt met nationale en Europese wetgeving, waaronder richtlijn 76/207/EEG. De Centrale Raad van Beroep onderzocht of de regeling in overeenstemming is met de richtlijn, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen reeds had geoordeeld dat een dergelijke regeling niet in strijd is met de richtlijn indien zij gericht is op het bestrijden van een situatie van zware ondervertegenwoordiging van vrouwen.
De Raad concludeerde dat er sprake was van een zware ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen het Ministerie en een tekort aan geschikte en betaalbare kinderopvang. De regeling was passend en noodzakelijk om de voortzetting van de beroepsloopbaan van vrouwen te bevorderen en ging niet verder dan nodig. Appellant was geen alleenstaande ouder en er was geen noodgeval, waardoor het besluit rechtmatig was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De kinderopvangregeling die voorrang geeft aan vrouwelijke werknemers is rechtmatig en niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.