ECLI:NL:CRVB:2003:AF3851

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/4085 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • K. Zeilemaker
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAmbtenarenwet 2017
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen functiebeschrijving ondanks salarisschaalgevolgen

Appellante, werkzaam als berekeningsambtenaar bij de sector Werk en Inkomen van de gemeente, maakte bezwaar tegen een functiebeschrijving waarin een ervaringseis van slechts één jaar was opgenomen. Dit bezwaar werd door het College van burgemeester en wethouders ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. In hoger beroep betoogde appellante dat de functie-eisen directe gevolgen hadden voor haar salarisschaal, waardoor zij wel een rechtstreeks belang had.

De Raad overwoog dat het belang van een ambtenaar bij een functiebeschrijving in het algemeen beperkt is tot de vastlegging van werkzaamheden. Functie-eisen zoals opleiding en ervaring hebben slechts een indicatieve betekenis. Pas bij het functiewaarderingsbesluit, dat op basis van de functiebeschrijving scores toekent en de salarisschaal bepaalt, wordt het belang van de ambtenaar rechtstreeks geraakt.

De Raad concludeerde dat de situatie van appellante niet afwijkt van deze algemene regel. Ook het feit dat zij niet tijdig bezwaar maakte tegen het functiewaarderingsbesluit en dat bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, verandert hier niets aan. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank dat het bezwaar tegen de functiebeschrijving niet-ontvankelijk is.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de functiebeschrijving wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

00/4085 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 juni 2000, nr. 99/1037 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 november 2002, waar namens appellante is verschenen mr. D.H.J. Hooreman, advocaat te Utrecht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, werkzaam bij CAPRA.
II. MOTIVERING
1.1. Appellante is als berekeningsambtenaar van de sector Werk en Inkomen werkzaam in dienst van gedaagde. In het kader van een onderhoudsronde functiewaardering is deze functie opnieuw beschreven, welke beschrijving bij besluit van 18 juni 1999, verzonden op 6 juli 1999 is vastgesteld.
1.2. Appellante, die zich niet kan verenigen met de in de functiebeschrijving opgenomen ervaringseis van slechts één jaar praktijkervaring, heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het bestreden besluit van 5 oktober 1999 ongegrond is verklaard.
1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts heeft de rechtbank een bepaling omtrent het griffierecht gegeven.
1.4. De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat aan de bij de in geding zijnde functiebeschrijving gevoegde functie- en ervaringseisen niet meer dan een indicatieve betekenis wordt gehecht, terwijl de in de functiebeschrijving opgenomen werkzaamheden primair de rechtspositie van appellante bepalen. Dit betekent dat ten aanzien van de functie- en ervaringseisen geen sprake is van een rechtstreeks belang van appellante. In navolging van de uitspraken van deze Raad van 1 juli 1999, gepubliceerd in TAR 1999, 125 en 127, kwam de rechtbank tot de conclusie dat het bezwaar van appellante tegen de vaststelling van de functiebeschrijving niet-ontvankelijk is.
2. In hoger beroep is namens appellante betoogd dat in dit geval sprake is van een andere situatie dan in de hiervoor bedoelde uitspraken van de Raad, omdat het opnemen van functie-eisen in de beschrijving van de functie van appellante directe gevolgen heeft voor haar salarisschaal.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. Volgens vorenbedoelde uitspraken van de Raad zal in het algemeen het belang van degene die een functie vervult rechtstreeks betrokken zijn bij een besluit waarbij de functie is beschreven, waar het gaat om de vastlegging van het samenstel van werkzaamheden die in de desbetreffende functie (kunnen) moeten worden verricht. Anders ligt dit volgens de Raad in het algemeen voor een in een functiebeschrijving tevens opgenomen indicatie van functie-eisen zoals de noodzakelijk geachte opleiding en ervaring. In het algemeen is daarbij van een besluit waarbij het belang van een ambtenaar rechtstreeks is betrokken geen sprake.
3.2. Het functiewaarderingssysteem in gedaagdes gemeente is afgeleid van het ODRP-systeem. Nadat de beschrijving is vastgesteld vindt op grond van de Regeling functiewaardering functie-analyse en functieclassificatie plaats, waarbij aan de functie scores worden toegekend op basis van de in de analyse onderscheiden gezichtspunten, waaronder functionele vorming. Vervolgens wordt een functiewaarderingsbesluit genomen en wordt aan de hand van de conversietabel de voor betrokkene geldende salarisschaal vastgesteld. Ook voor appellantes functie is deze gang van zaken gevolgd. Op grond van deze gegevens stelt de Raad vast dat het opnemen van functie-eisen in de functiebeschrijving van appellante niet anders dan een indicatieve betekenis kan hebben en dat eerst bij het besluit tot functiewaardering definitief wordt vastgesteld welke functie-eisen bepalend zijn voor de indeling van de functie in een hoofdgroep en het toekennen van een bepaalde score voor het gezichtspunt functionele vorming. De situatie van appellante onderscheidt zich daarmee niet van die welke de Raad in haar algemeenheid heeft geschetst in vorenbedoelde uitspraken.
3.3. Dat appellante aanvankelijk heeft verzuimd om bezwaar te maken tegen het functiewaarderingsbesluit, terwijl een naderhand gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, welk besluit door de rechtbank in stand is gelaten (en in welke uitspraak appellante blijkens mededeling ter zitting heeft berust), maakt het vorenstaande niet anders.
4. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat appellantes bezwaarschrift tegen de vaststelling van de functiebeschrijving niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2003.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P.J.W. Loots.