Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5066

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/6413 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 29 ZiektewetArt. 1638c BW (oud)Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loondoorbetalingsplicht bij oproepovereenkomst met structureel karakter

Appellant was sinds mei 1997 als oproepkracht werkzaam bij een taxibedrijf. Na ziekmelding in juni 1998 weigerde de werkgever de ziekmelding door te geven en werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) het recht op ziekengeld geweigerd op grond van loondoorbetalingsplicht van de werkgever.

De rechtbank oordeelde dat de arbeidsovereenkomst een privaatrechtelijke dienstbetrekking betrof vanwege het intensieve en regelmatige arbeidspatroon van appellant, waarbij hij in 24 van de 26 weken werkte en een roostermatige indeling had. Dit leidde tot de conclusie dat appellant recht had op loondoorbetaling en geen ziekengeld.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en verwierp het beroep van appellant dat de overeenkomst een oproepovereenkomst was zonder doorbetalingsplicht. De Raad benadrukte dat ook oproepovereenkomsten een structureel karakter kunnen krijgen waardoor loondoorbetaling verplicht is en dat appellant nimmer werk had geweigerd.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loondoorbetalingsplicht van de werkgever bevestigd, waardoor appellant geen recht heeft op ziekengeld.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
00/6413 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift van 27 februari 2001 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden onder dagtekening 1 november 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 6 maart 2001 ingediend, terwijl namens appellant bij brief van 17 december 2002 (met bijlage) de gronden van het hoger beroep zijn aangevuld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 januari 2003, waar partijen -appellant met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant is sedert 15 mei 1997 als oproepkracht werkzaam bij Taxibedrijf [naam Taxibedrijf] V.O.F. (hierna: [naam Taxibedrijf]). Op 17 juni 1998 heeft appellant zich ziek gemeld bij zijn werkgever die weigerde de ziekmelding door te geven. Op 13 juli 1998 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om met ingang van 17 juni 1998 in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet. Bij beslissing op bezwaar van 5 januari 1999 heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 6 augustus 1998 waarbij het recht ziekengeld is geweigerd, omdat appellant op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht had op doorbetaling van loon door zijn werkgever.
In beroep heeft appellant doen aanvoeren dat tussen partijen slechts een afroepovereenkomst was overeengekomen waarbij geen verplichting bestaat arbeid te verrichten na een oproep daartoe te hebben ontvangen, slechts loon verschuldigd is voor de uren gedurende welke arbeid is verricht en artikel 1638c (oud) BW uitdrukkelijk is uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat appellant met [naam Taxibedrijf] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten aangezien appellant blijkens de dagen/wekenregistratie in de periode voorafgaande aan zijn ziekmelding 24 van de 26 weken heeft gewerkt in een dermate intensief en regelmatig arbeidspatroon dat van een doorlopend dienstverband moet worden gesproken waarbij sprake was van een roostermatige indeling van appellant. Daarbij kreeg appellant per uur betaald en waren zijn werkzaamheden als taxichauffeur een structureel en wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van [naam Taxibedrijf]. Van oordeel zijnde dat aan alle elementen voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan, heeft de rechtbank uitgesproken dat appellant op grond van artikel 29, eerste lid, onder a van de Ziektewet recht heeft op loondoorbetaling.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft dit standpunt alsmede de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd en deelt niet de mening van appellant in hoger beroep naar voren gebracht dat de aangevallen uitspraak zich niet verdraagt met de bepalingen voor afroepkrachten opgenomen in de van toepassing zijnde algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Taxivervoer. De Raad merkt op dat artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet bepaalt dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd als er een verplichting tot doorbetaling van het loon bestaat. Dit impliceert dat niet iedereen die op papier een oproepovereenkomst heeft zonder meer toegang krijgt tot de vangnetvoorziening. Ook oproepovereenkomsten kunnen een dermate structureel karakter krijgen dat van een oproepkarakter geen sprake meer is in welk geval de werknemer richting werkgever aanspraak moet maken op loondoorbetaling. Naar het oordeel van de Raad hebben de werkzaamheden van appellant, onder aantekening dat appellant nimmer werk heeft geweigerd, tenminste 24 weken fulltime heeft gewerkt, op vaste dagen in de week heeft gewerkt en per maand ingeroosterd stond, naar aard en omvang het karakter van oproeparbeid verloren.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.
(get.) B.J. van der Net
(get.) R.E. Lysen