Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3081 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 5 Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-naleving formele bezwaarschriftvereisten

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het niet naleven van een formeel vereiste van het bezwaarschrift, zoals gesteld in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad overwoog dat appellant na een voorlopig bezwaarschrift tijdig te hebben ingediend, door gedaagde in de gelegenheid was gesteld om het verzuim binnen vier weken te herstellen. Appellant heeft dit niet gedaan, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring terecht was.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het beleid van gedaagde omtrent het herstel van vormverzuimen niet onredelijk was en dat de termijnverkorting van zes naar vier weken niet in strijd was met de goede procesorde.

Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet binnen de gestelde termijn herstellen van het bezwaarschriftverzuim.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/3081 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. W.W. Jansen, advocaat te Hoofddorp, op bij aanvullend beroepschrift van 26 juli 2002 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 7 mei 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 september 2002 ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 januari 2003, waar partijen met voorafgaand schriftelijk bericht niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde appellant bij besluit van 22 mei 2001 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat appellant bij het instellen van bezwaar één van de ingevolge artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde formele vereisten van het bezwaarschrift niet in acht heeft genomen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij geoordeeld dat de in artikel 5 van Pro het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2001 in welk reglement gedaagde regels heeft vastgelegd over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bezwaarschriftprocedure ingevolge de Awb neergelegde beleidsregel ten aanzien van het herstellen van vormverzuimen hem niet onredelijk voorkomt.
De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en onderschrijft dit standpunt alsmede de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat gedaagde door eigenmachtig de bezwaartermijn terug te brengen van zes naar vier weken en een niet-ontvankelijkverklaring uit te spreken op grond van een termijnoverschrijding met één dag, afgezet tegen de termijnoverschrijdingen die gedaagde zich heeft gepermitteerd, gehandeld heeft in strijd met de goede procesorde. De Raad kan het standpunt van appellant niet delen aangezien gedaagde, nadat het op 21 december 2000 gedateerde voorlopig bezwaarschrift tijdig was ingediend, appellant overeenkomstig het hierboven aangehaalde reglement bij brief van 27 maart 2001 in de gelegenheid heeft gesteld om het verzuim binnen vier weken te herstellen. Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn zijn verzuim hersteld, zodat gedaagde hem terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onder verwijzing naar de beleidsregels van gedaagde ten aanzien van het herstellen van vormverzuimen merkt de Raad op dat gedaagde aan het bepaalde in artikel 6:6 van Pro de Awb niet een onredelijke beleidstoepassing heeft gegeven.
Gelet op het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.
(get.) B.J. van der Net
(get.) R.E. Lysen